
Keulen, Belgischer Viertel
Eind mei van dit jaar maakte ik een korte stedentrip naar
Keulen, om precies te zijn van woensdag de 27ste tot/met zaterdag de 30ste. De
zon scheen overvloedig gedurende die dagen, behalve op vrijdagavond, toen er
een hevig onweer voorspeld was voor Keulen en omstreken.
In werkelijkheid werd het weliswaar vreeswekkend donker, maar
regende het slechts een paar druppels. Zodoende heb ik het dus niet in Keulen
horen donderen. Jammer, want ik had die merkwaardige en wat gedateerde
zegswijze: ‘Het in Keulen horen donderen’ graag eens aan den lijve ondervonden.
Keulen, dat was in de tijd toen je er nog per schip of te
paard heen moest reizen, voor Nederlanders het symbool van een stad ver weg. ‘Hij
kijkt alsof hij het in Keulen hoort donderen’ werd gezegd als iemand gezien
zijn ingespannen blik worstelde met een vraag, idee of situatie die zijn
bevattingsvermogen verre te boven ging.
Nog zo’n Keulse uitdrukking: ‘Je kunt er wel met je blote
kont op naar Keulen rijden’, gezegd van een verschrikkelijk bot mes. Mijn oma
gebruikte die uitdrukking nog wel eens.
Wat vroeger ver weg was, is in een steeds kleinere wereld nu
om de hoek. Door wat fysieke ongemakken, - waaraan ik niet verwacht, dood te
gaan - heb ik Keulen juist gekozen om zijn nabijheid. Dan kan ik, als de nood
aan de man komt, tenminste in
betrekkelijk korte tijd gerepatrieerd worden. Als ervaren denker in
rampscenario’s calculeer ik dat soort zaken altijd in.
Wij van de Digitale reiziger waren al een paar keer eerder in
Keulen voor een kort bezoek op een dagtocht, maar deze keer bracht ik er als
alleengaande 3 nachten door. Ik koos hotel Ilbertz, op loopafstand van station
Köln Messe/Deutz. De eerste letter van de naam van het hotel is een I. lastig
dat de hoofdletter i zo veel lijkt op de kleine letter L; ik dacht op de
heenweg nog dat ik in Keulen moest uitijken naar Libertz. Toch zou ik het hotel
vrij gemakkelijk vinden.
Het veelbesproken AI (Artificial Intelligence) lees je
trouwens gemakkelijk als ‘al’. Het is ook bijna alles al, al zijn er nog steeds
mensen die denken dat het wel over zal waaien. Ik schraap de schat aan gegevens
die ik nodig heb voor stukken als dit, vaak
wel bijeen met AI, maar schrijf de stukken nog zelf.
Dat is omdat schrijven mijn hobby is, en ik er mijn brood
niet mee hoef te verdienen; dat valt maandelijks rond de 23ste als manna uit de hemel, dank
zij AOW en ABP. Maar het is ook omdat ik denk dat AI mijn stijl bij de huidige
stand van de techniek nog niet zou kunnen imiteren. ChatGPT denkt zelf dat hem
dat wel zou lukken, na enige training. Maar ik vind dat AI op dit moment vooral
goed is in zouteloos journalistiek proza. Ik ga er dan ook vanuit dat de
meeste kranten tegenwoordig gevuld worden, of binnenkort gevuld zullen worden, door
hetzelfde AI dat ze in hun kolommen zo graag bashen.
Maar na deze eerste uitweidingen (dat is zo’n stijlkenmerk)
dan toch iets over de heenreis. Ik reis op het D-ticket, het maandabonnement
dat Duitsers en buitenlanders in staat stelt om voor 63 euro te reizen met het
complete stads- en streekvervoer in dat uitgestrekte land, plus in de 2e klas
van alle treinen, behalve IC(E)’s en EC’s. Een ideaal kaartje voor korte trips zoals naar
Keulen. Als ik gereisd had met Interrail, zodat ik ook de EC had kunnen nemen,
was ik maar een halfuurtje eerder in Keulen geweest.
De RE 19 (ook bekend als de Rhein–IJssel-Express) Arnheim Zentral
- Düsseldorf Hbf heeft deze keer geen noemenswaardig oponthoud. We hoeven ook
niet over te stappen in Emmerich, zoals zo vaak gebeurt, en in Emmerich is deze
keer ook geen grenscontrole. Wie weet, hoeveel illegalen er daardoor via deze
RE Duitsland binnenslippen…
Geen oponthoud dus, maar we arriveren wel met 10 minuten
vertraging in Düsseldorf. Hoe ze het doen, doen ze het bij Deutsche Bahn, maar
elke rit eindigt steevast met vertraging.
Ook op de rit van Düsseldorf naar Keulen is er 2 keer kort oponthoud, en dat is
wegens een trein vóór ons die het spoor bezet houdt. En dat is vermoedelijk doordat
daarvoor ook weer een andere trein staat, die… et cetera.
Dit is de S-Bahn S6 van Essen naar Köln Worringen. Worringen, oh, dat ligt dus
hier, in deze streek! Het is de meest noordelijke wijk van Keulen. Bekend van
de Slag bij Woeringen in1288; Gelre en Keulen gezamenlijk tegen Brabant. De Rijmkroniek,
Brabantse Yeesten. Het lezen van de naam Worringen brengt een stuk
(literatuur)geschiedenis bij me naar boven dat ik lang geleden eens geleerd heb
voor een tentamen. Wie heeft die slag ook alweer gewonnen? Ongetwijfeld
Brabant, anders had het vast niet in de Yeesten gestaan.
De S6 doet volgens dienstregeling 48 minuten over de rit van
Düsseldorf Hbf naar Keulen Messe/Deutz en stopt onderweg maar liefst 16 keer. Zo’n
S-Bahn is zoiets als een veredelde tram. Om uiteindelijk in Worringen terecht te
komen, moet hij zich verplaatsen van de rechter- naar de linkeroever van de
Rijn en een haarspeldbocht maken via de Hohenzollernbrücke tussen Messe/Deutz
en Köln Hbf.
Op Köln Messe/Deutz, toen nog alleen Köln Deutz geheten,
zette ik in 1998 voor het eerst voet op Keulse bodem, in het eerste verhaal op
deze site dat in Duitsland speelde. Ik was in gezelschap van mijn broertje, die
in de fotohandel werkte, en een collega van hem. Zij moesten voor hun werk
naar de Photokina. Ik liet die beurs voor wat hij was en reisde naar de Drachenfels,
een heuvel als een grote puist, 40 km stroomopwaarts langs de Rijn. Dat ritje
ga ik op deze reis dunnetjes overdoen.
Station Messe/Deutz heeft een koepel als van een planetarium, en een fraaie hal onder die koepel. De oudste voorloper van dit
station is opgeleverd in 1845, toen Deutz nog een aparte gemeente was, en er
nog geen verbinding over de Rijn was met wat nu Köln Hbf is.

Hoge en lage sporen op station Köln Messe/Deutz
Foto: Willy Horsch, overgenomen van Wikipedia (E), Köln Messe/Deutz
Het huidige station Messe/Deutz werd in 1913 geopend. Het
telt 4 hoge perrons en 2 lage. De laatste zag ik pas op de Wiki bij het verzamelen
van gegevens voor dit stuk. Ze hebben geen verbinding met Hbf en zijn alleen bestemd
voor treinen die op de oostelijke Rijnoever blijven. 2 U-Bahnlijnen, nrs. 1 en
9 , rijden onder het station door. Lijnen 3 en 4 rijden erlangs. Op Messe/Deutz
stopt een keur aan S-Bahntreinen, RB’s en RE’s, en ook nog wat ICE’s.
De Messe (beurs) waar het station sinds 2004 mede naar genoemd
is, ligt pal ten noorden ervan. Daar ligt 40 hectare beursvloer, waarover per
jaar 2,5 miljoen bezoekers langs de stands wandelen. Aan de andere kant van het
station heb je nog de LANXESS Arena, een pop- en sporttempel.


Ik vind hotel Ilbertz zoals gezegd na een korte wandeling.
Het is een goeie middenklasser. In vrijwel alle reviews (die ik nooit lees)
wordt de vriendelijkheid van het personeel geroemd, vermoedelijk omdat die
eigenschap in een stad als Keulen heel sterk opvalt. Er is inderdaad ook niets
aan te merken op de klantvriendelijkheid in het hotel.
Ook plezierig vind ik dat je hier gewoon een ijzeren sleutel
krijgt voor je kamer, en geen inlogcode. Van dat laatste heb ik mijn bekomst
sinds ik eerder dit jaar een Aparthotel deed in Bazel, in het gezelschap van
mijn trouwe lezer, De Lezer. We hadden er anderhalf uur voor nodig om onze
kamers te kunnen betreden.
Eerst in dit artikel een mapje foto’s met soms uitgebreide onderschriften. Eerst de Hohenzollernbrücke tussen de 2
belangrijkste spoorwegstations van Keulen: Hbf en Messe/Deutz. Die brug over de
Rijn is 400 meter lang en telt 6 sporen waarover in totaal 1200 treinen per dag
rijden. De huidige brug is voltooid in 1959 ter vervanging van zijn voorganger
die in WOII is opgeblazen.
Die oudere versie had 2 poorten om de brug te laten harmoniëren
bij de monumentale omgeving, waarin de Dom domineert. Verder stonden er 4 ruiterstandbeelden
bij de toegangen tot de brug. Een daarvan stelde Kaiser Wilhelm II voor, de
laatste vorst uit het huis Hohenzollern, die in 1918 het land uit werd
geknikkerd en zijn levenswinter noodgedwongen sleet op de Utrechtse Heuvelrug,
eerst in Amerongen en later in Huis Doorn.


Er loopt een voet- fietspad over de brug dat door een hek is
gescheiden van de treinen die af en aan rijden. Aan dat hek hangen
liefdesslotjes. Geliefden hangen er een slotje aan met een inscriptie met hun namen en de datum. Dan sluiten ze het slotje en
gooien de sleutel in de Rijn, om hun eeuwige verknochtheid te onderschrijven.
Deze in de ogen van een ‘aro’ (a-romanticus), wel heel erg
rare handelwijze is wereldwijd populair geworden
door een Italiaanse film uit 2007, ‘Ho voglia di te’. Het is dus geen
eeuwenoude traditie, zoals ik gedacht had. In die rolprent komt een tortelend
stel voor dat een slotje hangt aan de Milvische Brug in Rome, en de sleutel in
de Tiber smijt.
Die brug staat op mijn lijstje voor mijn Rome-reis die
jaar-in-jaar-uit steeds maar niet doorgaat. Niet dat ik een slotje aan de brug
wil bevestigen, dat beslist niet. Maar er zijn bij die brug historische dingen gebeurd,
al zijn die me even ontschoten op het moment dat ik dit schrijf. Nog verder
weggezakt dan Woeringen.
In het buitenland dreigen soms bruggen te bezwijken onder de
last van al die ijzeren slotjes. Dan worden ze in opdracht van het
gemeentebestuur een voor een losgezaagd, een helse klus. Maar DB tolereert die
sloten aan zijn spoorbrug. Men redeneert dat die brug sterk genoeg is, want hij
overleeft ook 1200 treinen per dag die per stuk veel zwaarder zijn dan het
totaalgewicht van die bizarre liefdesuitingen.
Sommige hangen er dus al 19 jaar, bijna 3 keer de seven-year
itch die aan zoveel liefdesrelaties een einde maakt.

Maar hoeveel zouden er eigenlijk aan dat hek zitten? Het moet wel te schatten zijn,
door ze te tellen per vierkante decimeter en het resultaat te vermenigvuldigen
met de lengte en de hoogte van het hek. Maar het aantal sloten per oppervlakte is
moeilijk vast te stellen; ze hangen soms in meerdere lagen over elkaar heen. Ik
kom, vinger in de lucht, God zegene de greep, tot 200.000 in totaal. De
schattingen variëren van 100.000 tot 700.000, een heel erg ruime marge, maar
het zouden er dus best 200.000 kunnen
zijn.
Dat gaat dus allemaal over zoiets ongrijpbaars als de liefde.
Maar als je hier iemand zou zien staan klaarkomen, dan heeft dat niets met liefde
te maken, maar is het hoogstwaarschijnlijk een treinspotter. Je ziet meestal 3
à 4 treinen tegelijk op die 6-sporige brug; is er een betere spotplek denkbaar?
De Hohenzollernbrug is het meest geliefde wandelpad van Keulen.
Wel oppassen voor fietsers! Er is hier, en vrijwel nergens in Duitsland, een
duidelijke afscheiding tussen fiets- en voetpaden. Je hebt ook veel
gecombineerde paden; vecht het maar uit!

‘Wenn Der Dom fertig ist, geht die Welt unter’, staat
gekalkt op een stuk zeil ergens bij de Dom. Zelfspot misstaat ook de Keulenaar
niet. De Dom is gehuld in bouwsluiers. En gezien de uitspraak op het zeil al
heel erg lang, zonder veel uitzicht op voltooiing. Wees dus gerust, de wereld
vergaat nog lang niet.
Het is na 17:00 en de Dom is gelsloten voor bezoekers. Verder
dus, langs stukken stadsmuur die nog dateren uit de Romeinse tijd. Die hebben
de stad gesticht, kort voor het begin van de jaartelling.

‘Wanneer begint die jaartelling nou eens’, zullen de
Romeinen zich wel nooit afgevraagd hebben. Ze telden de jaren in die tijd
helemaal niet. Jaren werden genoemd naar de 2 consuls die aan de macht waren in
Rome. Die werden slechts voor de duur van een jaar gekozen, dus dat gaf nooit
verwarring. In het Nederland van heden zou je een jaar kunnen noemen naar het
zittende kabinet en de zoveelste nieuwe trainer van Ajax.
Keulen heette in de begintijd Oppidum Ubiorum (de vestingstad
van de Ubiërs). Later werd de stad omgedoopt in Colonia Agrippinae, naar een
keizerin. In het Engels en Frans heet de stad nog steeds Cologne (‘koloon’, resp.
‘kolonje’)
De Ubiërs woonden hier toen de Romeinen kwamen
binnenmarcheren. Ze werden vermoedelijk door hun bezetters beschouwd als een
stelletje wilden. Hun naam leeft nog voort in de Ubierring, een randweg ten
zuiden van het centrum. Die naam heeft dus niets met bier te maken.


De Hahnentor(burg) is 800 jaar oud en is een van de 4 van de
12 overgebleven stadspoorten in de middeleeuwse stadsmuur die 8 km lang was. Keulen
was in die tijd al een heel grote stad. Hij telt tegenwoordig 1,1 miljoen
inwoners, en zit daarmee in tussen zijn redelijk naaste buren Amsterdam (0,9
miljoen) en Brussel (1,25 miljoen). Het is de 4e stad van Duitsland na Berlijn
(3,9), Hamburg (1,9) en München (1,5).
De Hahnentor, hierboven gefotografeerd aan de voor- en
achterzijde, staat aan de Rudolfplatz en is in gebruik bij een carnavalsvereniging
en een casino. Die hebben het aanzien van de poort behoorlijk verpest, vind ik.

De Eigelsteinertor uit de 13e eeuw, met een stevig valhek,
heeft als bewoner een school voor jazzmusici.



Het Rathaus lijkt meer op een kathedraal dan op een stadhuis. Hij heeft met de
Dom gemeen dan hij in restauratie verkeert, maar ik garandeer niet dat de
wereld vergaat als hij klaar is.
Dit stadhuis is ook zo’n 800 jaar oud, maar na WOII is er
een afgrijselijk lelijke nieuwe vleugel voorgezet. Wederopbouw-bouw is wel
vaker spuuglelijk; het moest snel, en hoefde niet perse mooi te zijn. De oude
zijde van het raadhuis staat - je raadt het niet - aan het Rathausplatz, maar
is door de renovatie niet goed fotografeerbaar. Die nieuwe aanbouw bevindt zich
aan de Alter Markt.
De deuren van het stadhuis staan uitnodigend open. Is er
binnen iets te zien, een tentoonstelling of zo? Nee, ik zie heren en dames in
vergadertenue naar binnen gaan; vanavond commissievergadering of zo.
Dan de De Alter Markt maar bewonderen, een groot plein,
omgeven door huizen met fraaie, kleurrijke geveltjes. Aan de voet daarvan zijn er
terrasjes in overvloed. Ik ga er de traditionele Pfefferschnitzel verorberen,
die ik bij vakanties in het Duitstalige gedeelte van de wereld altijd minstens
één keer bestel.

De volgende dag stap ik bij de halte Ubierring uit de tram
om een stuk langs de linker Rijnoever te gaan lopen, richting Hbf.
Het eerste stuk van die Rijnwandeling, daar is niet veel aan.
Ik loop langs een drukke verkeersweg en over stoepen die vol staan met
geparkeerde auto’s, de heilige koeien van Duitsland. Aan de overkant van de weg
zie ik de Bayenturm uit de 13e eeuw, een defensiewerk. Uiteindelijk vind ik een
oversteekplaats over die drukke weg. Nu wordt de wandeling leuker, nu echt langs
de Rijn.

Dat doet het ook altijd aardig, zo’n antieke havenkraan in
een modern stadsgebied.

Reisjes ‘langs de Rijn-Rijn-Rijn’, zoals het heet in een oud
liedje van Louis en Rika Davids, zijn tegenwoordig ook nog heel erg IN. Ook nu
gaat het nog met een ‘nieuwerwetse schuit-schuit-schuit’ (rechtsboven op de
foto), hypermoderne cruiseschepen met veel amusement aan boord, disco, live
muziek, noem maar op.

Dit is de Pegel van Keulen. ‘Pegel’ betekent peil. Het is een
soort Nieuw Amsterdams Peil, maar dan niet Amsterdams, maar Keuls. De wijzer
geeft de waterstand aan in de Rijn. Aan de ‘pegel’ is een informatiebord
bevestigd waar maatregelen tegen stijgend water op vermeld staan. Alles wordt
heel duidelijk omschreven; Ordnung muss sein.
Staat het peil onder de 5 meter, dan is er niets aan de hand. Bij 5 meter
worden er straten afgesloten, en bij 6 meter treden er hoogwaterpompen in
werking. Stijgt het peil naar 7 meter, dan worden de maatregelen opgeschaald.
Dan komen de Schieber erbij, en bij 8.50 wordt de Hochwasserschutzmauer geplaatst.
Bij 10 meter dreigt de situatie echt uit de klauwen te gieren. Ja, wat dan? Dan
zal deze Pegel zo langzamerhand ook wel overstroomd zijn, en weet niemand meer
hoe hoog het water staat.
Maar vandaag niets te vrezen, de meter staat gelukkig nog
onder de 2.
Bij vrijwel elk bezoek dat ik tot nu toe heb afgelegd aan
Keulen, heb ik die leuke geveltjes langs de Rijn op de foto gezet. Dat doe ik nu dan nog
maar een keer. Ach, erg veel keus aan pittoreske gevels is er ook niet in een
stad die in WOII zwaar getroffen is door bombardementen.

Pakhuizen aan de Fischmarkt. Ook die zijn nu restaurant.

Het Delfter Haus uit 1620, aan de Buttermarkt, overleefde
de oorlog, en is nu restaurant. Het heet zo, omdat het in Hollandse stijl
gebouwd is en er via de Rijn veel handelsverkeer was met steden in Holland. Delft
ligt niet aan de Rijn, maar vanuit Keulen kon je er wel komen via de Nederrijn,
de Lek, de Merwede (tegenwoordig Nieuwe Maas) en de Delfshavense Schie. Volgens
mij kan dat nog steeds wel.

En nog een mooi plein in de binnenstad, ook met vele
etablissementen; de Heumarkt, tevens tramknooppunt. Het grenst bijna aan de
Alter Markt en is er door een korte winkelstraat mee verbonden.
Vanavond geen Schnitzel; ik heb een Aziatisch restaurant gespot
pal naast mijn hotel, MEI WEI. Ik pak een tram die er bijna voor de deur stopt.

Weer een dag later befotowandel ik het Belgischer Viertel,
de Belgische buurt. Die behoort tot de must sees van Keulen, en wordt genoemd op bijna elke webpagina
met toeristische tips over die stad.
Dat moet ik dus zien, maar ik zet me wel schrap voor een
teleurstelling. Toen wij, De Lezer en ik, in april Stuttgart deden, zagen we ook
zo’n komt-dat-zien buurt, het Bohnenviertel, het laatste restje middeleeuwen in
de stad. Maar wat een zeperd! Voor ons hadden ze dat laatste restje ook wel
mogen afbreken; een hellhole vol krotten en goedkope hoerenkasten.
Het Belgischer Viertel valt erg mee. Er heerst hier een
plezierige sfeer, en het lijkt alweer een mooie dag te gaan worden; de zon
schijnt op deze vrij vroege morgen alweer vrolijk.
De wijk heeft geen middeleeuwse roots. Hij kwam tot stand in
de 19e eeuw en kwam opnieuw tot stand in de naoorlogse periode, na de nodige
bombardementen. De architecten hebben op dit wederopbouwproject wat meer hun
best gedaan dan op het stadhuis.
Het was wel een beetje een armeluiskwartier, maar in de 80’s
werd het plots hip en trendy. Zoiets noemen ze gentrificatie: van volkswijk
naar een wijk waar de upper ten graag zijn euro’s spendeert in boetieks en in
de horeca.



Het Belgischer Viertel ligt even ten westen van de binnenstad
van Keulen. Het heet Belgisch, omdat de straten er genoemd zijn naar plaatsen
in dat land. Je hebt er bijvoorbeeld de Maastrichter Straβe. Goed, Maastricht
ligt in Nederland, en niet in België. Maar ik kan me de vergissing wel voorstellen.
Het grenst aan België. Bij de Keulse straatnamencommissie hadden ze niet goed
op de landkaart gekeken; ze hadden misschien Mastreechter ‘Staar’.
De boetiek Falsches Viertel handelt in trendy
vrijetijdskleding. Rare naam, maar een naam doet er niet toe, als hij maar
opvalt. En dat doet-ie blijkbaar; hij is mij in ieder geval opgevallen.

Aan de rand van het Belgischer Viertel begint een groenzone,
de Innerer Grüngürtel, met uitzicht op de Colonius, de 253 meter hoge tv-toren.
Het is het hoogste gebouw van Keulen. Hij is niet voor publiek toegankelijk, en
dat spijt me niet verschrikkelijk.
Tot zover de foto’s van de fotowandeling. In de volgende
aflevering neem ik de tram.
Frans Mensonides
5 juli 2026
Er geweest:
van woensdag 27 t/m zaterdag 30 mei in het jaar van Jetten I en
... hoe heette de laatste trainer van Ajax nou ook alweer?

Ergens in Keulen
Nu de herfst van 2026 is begonnen, ga ik het verhaal over
mijn voorjaarsreisje naar Keulen opnieuw oppakken. Deze Unvollendete (onvoltooide)
ontstond door medisch ongemak, en mede door actualiteiten die voorrang hadden, zoals
tramnieuws uit Den Haag en Amsterdam en buskwesties in Arnhem, Groningen en
Katwijk.
Hierboven vind je een fotorapportage van mijn wandelingen
door Keulen. Nu gaan we verder met de tram, en ik hoop dat daar de volgende
week nog een stuk bijkomt over cultuur en geschiedenis, want ik heb in dat
lange weekend in mei ook nog 3 musea bezocht.
Eerst de tram, of liever gezegd: de Stadtbahn, zoals hij
officieel heet, of de U-Bahn, zoals hij in de volksmond heet. Ook de verouderde
term Straβenbahn wordt nog wel gebruikt; vooral door ouderen, denk ik. Verder
heeft men het wel over ‘de KVB’, de Kölner Verkehrs-Betriebe, het OV-bedrijf
van de stad. Dat bedrijf is in 1877 begonnen met het exploiteren van een
paardentramnet, en viert volgend jaar dus zijn 150-jarig bestaan.
Ik noem hun product in de rest van dit artikel soms ‘Stadtbahn’,
de officiële benaming, maar ook wel platweg ‘tram’, zoals railvoertuigen in het
stads- en streekvervoer meestal aangeduid worden in het Nederlands.

Netkaart Stadtbahn Keulen. Klik voor een vergroting
Kaartje: LW2312 Overgenomen van Wikipedia (D): Stadtbahn_Köln
De Stadtbahn is het belangrijkste openbaar-vervoermiddel in
Duitslands 4e stad. Per werkdag worden een slordige 800.000 mensen vervoerd.
Dat vervoer vindt plaats op een netwerk met een lengte van 199 kilometer, waarvan
28 km ondergronds en 47 km buiten de gemeentegrenzen. Ruim 400 tramwagens
worden ervoor ingezet, verdeeld over 12 lijnen met in totaal 236 stations /
haltes, waarvan 42 ondergronds.
Dat zijn de nuchtere statistieken. Als je het netkaartje uit
de Wikipedia bestudeert – dat niet op schaal is – lijk je te kijken naar één en
al orde en harmonie. Vanuit het centrum,
gelegen bij de halte / het station Heumarkt, waaieren lijnen in alle
windrichtingen uit naar de randen van de stad.
De ‘spaken’ van het net worden aangevuld door 3
concentrische halve ringen ten westen van de Heumarkt. De 2 binnenste zijn U-Bahntunnels
door het centrum. De 3e en buitenste loopt voornamelijk bovengronds over de Gürtel,
de ringweg om het centrum heen. Lijn 13 rijdt daar.
In werkelijkheid is het allemaal een stuk minder logisch en
overzichtelijk dan je zou denken. Het netwerk is gegroeid in een tijdsbestek
van anderhalve eeuw, en is hier er daar ook wel wat scheefgegroeid.
Voor iemand met mijn des-oriëntatievermogen is het vaak een
zoekplaatje. Ik heb een keer 20 minuten lopen zoeken toen ik vanuit een
ondergronds station over wilde stappen op een bovengrondse lijn: waar is die verrekte
halte?? Of eerder nog: waar lopen die verrekte tramrails?
Tot in de jaren 60 had Keulen alleen een straβenbahnnet.
Net als in Stuttgart heeft men in Keulen besloten om dit om te bouwen tot een
Stadtbahn / U-Bahn, met ondergrondse trajecten en hoge-vloertrams die stoppen langs
hoge perrons. De eerste U-Bahnroutes waren die 2 binnenste halve cirkels
waarover ik het daarnet had. Ze kwamen in dienst rond 1970. En er staan nu, een
halve eeuw later, vaak ondergrondse tram-files.
Opmerkelijk is, voor een stad met meer dan een miljoen
inwoners, dat er geen ‘zuivere’ metro rijdt: geen lijnen waar de voertuigen
over hun hele route op eigen baan rijden, in tunnels of over viaducten. Zulke
metro’s heb je wel in de nog grotere Duitse steden Berlijn, München en Hamburg, en zelfs in het veel kleinere Neurenberg: efficiënte systemen die je
snel door de stad heen voeren.
In Keulen gaat het reizen allemaal iets minder flitsend. Keulen
koos voor een compromis met hybride lijnen, zou je kunnen zeggen. Ze voeren op
sommige delen van hun route door gewone straten
(meestal wel op een van de auto’s afgescheiden vrije trambaan}, en op
andere gedeelten ondergronds.
Aan de ombouw tot een Stadtbahn is bijna een halve eeuw
gewerkt: van 1963 tot 2006. In de tussentijd kwam de lagevloertram op de markt,
die logischerwijze stopt langs lage perrons. Net als in Stuttgart waren in
Keulen niet alle wijken geschikt voor de aanleg van hoge halteperrons. In
Stuttgart moeten die buurten het dan maar doen met de bus, maar in Keulen heeft
men op een aantal lijnen, nl. de nrs. 1, 7, 9, 12 en 15, die moderne
lagevloertrams laten rijden.
Trajecten met zowel hoge- als lage-vloerwagens zijn zoveel
mogelijk vermeden, omdat dat de bouw van ellenlange halteperrons met zich
meegebracht zou hebben, met een hoog en laag gedeelte. In wezen heeft Keulen nu
dus 2 verschillende netten die elkaar maar op een paar plekken ontmoeten. Al
die zaken maken van het Keulse Stadtbahnnet toch wel een buitenbeentje, met een
gebruiksaanwijzing.
De uitvoering van de dienst is ook lang niet perfect. Er
vallen nogal eens ritten uit. Volgens de digitale halteborden komt dat door het
drukke autoverkeer. Dat vind ik wel sterk, gezien het feit dat de tram toch op
de meeste plekken een aparte rijbaan heeft, en dus zelden in de file zal staan.
Ik vond op het web wat artikelen over personeelsgebrek bij KVB.

‘Verspätet’ (vertraagd) lijkt een eufemisme voor ‘entfällt’
(valt uit).
Op een tram zag ik de slogan: ‘De KVB is al sinds 1877 de
beste smoes voor te laat op je werk komen’, of woorden van gelijke strekking.
De Keulenaar staat bekend om zijn zelfspot. Die hoor je ook vaak als het gaat
om Keulens beruchte Unvollendete (ik
schreef bijna: Un-voll-ellende-te). Dat is de Nord-Süd-Stadtbahn onder de binnenstad
door. In 2022 ging ik er kijken, op een eendagstrip.
In 2009 verdwenen bij de aanleg van die lijn 2 flatblokken
plus het gemeentearchief in een bouwput. Die ramp kostte 2 mensen het leven, en
leverde een schadepost op van 1,2 miljard euro. Dat gebeurde op de Severinstraβe,
uitgerekend de plek waar de wissels hadden moeten komen in de U-Bahntunnel.
Het gevolg daarvan was, en is nog steeds, dat de trams vanaf
de noordkant niet verder kunnen rijden dan de Heumarkt en vanaf de Zuidkant totaan
station Severinstraβe. Na aankomst rijden ze via dezelfde weg terug, over
hetzelfde spoor. Er kan maar één tram tegelijkertijd in een van die 2 doodlopende
tunnels rijden, omdat uitgerekend het stuk met de wissels ontbreekt.
Deze keer ging ik weer in die 2 voorlopige eindstations
kijken. Niets veranderd in 4 jaar tijd. Opnieuw zag ik 2 stations met enorme
hallen, gebouwd voor tienduizenden reizigers per dag. Daar komt dan elke 10
minuten een trammetje aansukkelen waaruit een man of 20, 30 stappen, verloren in
die paleizen.


In 2022 ging men uit van voltooiing van de gehele
noord-zuidtunnel in 2029, maar inmiddels mikt men op 2032 of daaromtrent, dan
al 23 jaar na de ramp. De wederopbouw na WO II ging vaak nog sneller.
De Keulenaars noemen dit een project dat een leven lang
meegaat. Wie scholier was toen de schop voor die tunnel de grond in ging, is
vermoedelijk al pensionado als hij het eerste ritje kan maken, helemaal door de
tunnel heen. Het staat nog te bezien, wat het eerste af is: de Dom, of de U-Bahn-tunnel.

Halte Deutzer Freiheit
De Lezer gaf mij een tip voor 2 bijzondere tramlijnen: lijn
7 en lijn 13. Hij vertelde er verder niets over; ik zou het vanzelf wel zien. Verrassingstochten,
altijd leuk!
De ritten met die trams heb ik gemaakt. Ze zijn wat
weggezakt, nu ik ze pas bijna 5 maanden later wil gaan beschrijven. Maar
YouTube schoot me te hulp. Voor beide lijnen zijn er video’s van het traject
beschikbaar van iemand die over de schouders van de bestuurder heeft meegekeken
en gefilmd. In Duitsland heet zoiets heel omslachtig een Führerstandsmitfahrt,
in het Engels heel bondig een cab ride. Mede door dit soort verschillen prefereer
ik Engels boven Duits.
HIER is die van lijn 7.
De halte Deutzer Freiheit van lijn 7 is op loopafstand van
mijn hotel. Op de eerste avond doe ik het stuk naar Zündorf, op de 2e dat naar
Frechen. Dat eerste stuk, in de avondschemering van een zonnige meidag, gaat grotendeels
over een vrijliggend ‘kedeng-kedeng’-spoor; een flink brok herrie. Het gaat
plankgas (als een tram op gas zou gaan), 80 km uur.
Lijn 7 is in het centrum van Keulen gebundeld met 2 andere lage-vloerlijnen, 1
en 9. Ze rijden bovengronds oost-west door de binnenstad en kruisen die onaffe Nord-Süd-Stadtbahn
bij Heumarkt. Dat wordt het absolute middelpunt van het Stadbahnnet, als die
noord-zuidtak ooit nog afkomt.
Die 3 lijnen nemen de Deutzer Brücke over de Rijn, een
kleine kilometer ten zuiden van de Hohenzollernbrücke met de liefdesslotjes;
zie hierboven. 1 en 9 slaan daarna linksaf, en rijden langs mijn hotel naar de
Messe; 7 slaat rechtsaf, langs de rechter Rijnoever.
Hij bereikt al snel de wijk Poll. Iets later begint het
spoorse gedeelte van de lijn die een licht slingerende route volgt, onder andere langs
weilanden. Ooit was dit een ‘Kleinbahn’, een lokaalspoortje. Dat ging open in
1909, en werd in de 60’s vertramd tot lijn 7. De tram doet 23 minuten over de
11,5 km van Deutzer Freiheit naar Zündorf. Daar bevinden we ons weliswaar ver buiten
het centrum van Keulen, maar nog wel steeds binnen de gemeente.
Ik heb geen fut meer om Zündorf nog te gaan verkennen, en neem de tram terug naar het hotel.
Zündorf
Mijn plan is: meerijden tot het station van Frechen, een
grote voorstad van Keulen (50.000 inwoners), en dan de trein terug te nemen
naar Keulen Messe/Deutz. Maar helaas
blijkt het het ‘Alter Bahnhof’ te zijn, dat al heel lang gesloten is. Er zit
een restaurant in – wat me eraan doet denken dat ik vanavond wil eten bij MEI
WEI, de Aziaat naast mijn hotel. Ik neem de tram terug.
Er bestaat echter wel degelijk een station Frechen-Königsdorf
waar je de trein kunt nemen. Dat ligt aan de spoorbaan Keulen – Aken, die een
heel stuk noordelijker loopt dan tram 7.
Het laatste stuk van lijn 7, naar Frechen Benzelrath, heb ik
nu dus gemist, maar is te zien op de cab ride (daar aan het begin van de video).
De tram rijdt stapvoets door het winkelhart van Frechen.
Een heel gevarieerde lijn al met al. Hij is 26 km lang, telt
33 haltes en een rit van begin- tot eindpunt duurt een uur plus een paar
minuten. Van maandag tot/met zaterdags overdag rijdt de tram om de 10 minuten,
net zoals op de meeste Keulse Stadbahn-lijnen. Het stuk naar Frechen wordt echter
slechts eens per 20 minuten bediend.
Op de terugweg komt er kaartcontrole, de enige keer dat ik het meemaak in de Stadtbahn. Ik toon mijn D-ticket op mijn telefoon – die je wel in opgeladen toestand bij je moet hebben. ‘Vergeten op te laden’ is geen acceptabele smoes. Achter mij wordt een passagier dringend verzocht om bij de eerstvolgende halte uit te stappen.


Frechen

Gürtel-Hochbahn’ bij de Parkgürtel
Foto: Qualle, overgenomen van Wikipedia (D); Stadtbahn Köln
Dan lijn 13, de andere tip van De Lezer. Ook een curiosum,
binnen het op zich al vrij curieuze net van KVB. Het is een tangentiële lijn in
de geheimtaal van de verkeersdeskundigen; hij maakt een grote omtrekkende
beweging om het centrum van de stad.
Daarbij kruist hij bijna alle andere Stadtbahn-lijnen en
talloze buslijnen, en trekt hij daardoor veel overstappende reizigers. Bij de
rit die ik maak, is hij propvol, wat mede komt doordat zijn voorganger, de tram
van 10 minuten eerder, is uitgevallen. Ook op de cab ride zie je bij elke
halte drommen mensen staan te wachten.
Lijn 13 volgt kilometers lang de Gürtel, een beboomde ring
die een wijde boog om het centrum heen maakt. De trams rijden in de middenberm
van een 4-baans straat met winkels en wat ik Duitse Blokken noem, meestal
4-hoge flats in een stijl die moeilijk te omschrijven is, maar die je overal in
Duitsland aantreft.
De namen van bijna alle haltes eindigen op -Gürtel. We zijn
weer in de buurt van het Belgisches Viertel, waar ik hierboven fotograferend
rondliep. Daar ergens kruisen we de Venloer Straβe, en daarmee de ondergrondse
U-Bahntak de Ehrenfelder Tunnel, waar Stadtbahnlijnen 3 en 4 rijden.
Volg je per auto de Venloerstraβe totaan de rand van de
stad, en rijd je daarna immer geradeaus, dan beland je na een kleine 100 km
inderdaad in Venlo. Nog niet zo lang geleden deed heel Keulen en wijde omstreken
daar zijn boodschappen. Maar met de woekerprijzen van de supermarkten in
Nederland zal de liefde voor de Limburgse stad aan de Maas wel bekoeld zijn.
Nu zet de tram er de sokken in, en klimmen we naar de
Gürtel-Hochbahn, een traject dat zou kunnen wedijveren met een ‘echte’ metro.
Het ligt op viaduct. De stations zijn uitgevoerd in plomp, hoekig beton, en
lijken wel wat op die van de Amsterdamse metro in de Bijlmer.
Ik zou hier en daar kunnen uitstappen om een foto te maken.
Maar dan moet ik bij de uitgedunde
dienstregeling van vanmiddag steeds 20 minuten wachten op de volgende tram, en
daar heb ik weinig zin in. Weet je wat? Ik pluk wel wat foto’s uit de Wiki.

Onvermijdelijk kruisen we ergens de Rijn. Op het viaduct
boven die rivier hebben we gezelschap van lijn 18: Bonn Hbf – Brühl – Keulen
via de Vorgebirgsbahn die ik in 2024 deed. Lijn 18 blijft bij ons in het
tunneltraject dat volgt, met een halte onder station Köln-Mülheim.
Het eind van de lijn levert een verrassing op. Zo’n
eindhalte is meestal het aanzien niet waard: een perronnetje, een keerwissel
bij misschien een plantsoentje in een stille wijk aan de rand van de stad. Het
eindpunt Tielenbruch van lijn 3 en 13 ligt echter in wat op een klassiek
spoorwegstation lijkt, met een riante overkapping en zelfs met een stationsrestauratie.
Vanwaar zo’n wat overdadige halte? Welnu, dat zit zó.
Ooit, sinds 1906, was dit een tramwerkplaats en -remise. Een
spoorwegstation was het bij mijn weten nooit. Remise is het gebleven tot in de
jaren 80, toen het werd vervangen door de nieuwe remise Mülheim. Die van
Thielenbruch was te krap geworden, en uitbreiding was niet meer mogelijk omdat
het opvallende gebouw op de monumentenlijst was geplaatst.
Daarna werd het Keulse trammuseum er gevestigd. Dat zal wel
gesloten zijn; ik kom hier aanwaaien na 18:00 uur. Maar ook vóór zessen was het
dicht, en dat is meestal het geval. Slechts eens per maand is het op
zondagmiddag geopend.
Thielenbruch doet nu dienst als eindpunt van de Stadtbahnlijnen
3 en 13. Het telt 4 kopsporen waar trams het tijdstip van vertrek voor de
terugweg kunnen afwachten. Ik neem lijn 3 naar Deutz en het hotel.
De trams op lijn 3, met hun gestroomlijnde uiterlijk, zijn
de nieuwste die rijden in Keulen: Bombardier/Alstom/Flexity Swift HF6.
Einde van een paar verrassende ritten met de Kölner Stadtbahn. Die zijn voor de toerist en de hobbyist interessanter dan een rit met zo’n efficiënte metro, van waaruit je alleen maar donkere tunnelwanden ziet. De Lezer bij dezen bedankt voor zijn tips over lijn 7 en 13
Wordt vervolgd…
Frans Mensonides
18 oktober 2026

De hal van Thielenbruch, gefotografeerd vanuit het zelden open
trammuseum
Foto: Michael Bienick, Overgenomen van Wikipedia (D): Straßenbahn-Museum Thielenbruch

De permanente tentoonstelling in het EL-DE-Haus
‘Ga je ook nog naar het Gestapo-hoofdkwartier?’, vroeg een
kennis me, toen ze hoorde dat ik een lang weekend in Keulen van plan was. ‘Erg
interessant, hoor! Ja, zelf ben ik er bijna gillend uitgelopen, uit die
martelkelder’.
Ik wist het niet. Ja, het staat hoog op de lijstjes van
bezienswaardigheden die je niet mag missen in Keulen. Over het algemeen vind ik
dat je de zwarte bladzijden niet moet overslaan in het geschiedenisboek, dat er
trouwens vol mee staat. De dodencellen van het Oranjehotel in Scheveningen heb
ik ook bezocht; kamp Amersfoort, kamp Westerbork. Maar ik ben (of liever: ik
was, want dat reisje naar Keulen is al 5 maanden geleden, als ik deze woorden
typ) wat onderhevig aan stemmingswisselingen, door omstandigheden.
Toch sta ik op de middag van 29 mei 2026 in Keulen voor het
EL-DE-Haus aan de Appellhofplatz. Het erg omvangrijke ‘huis’ werd gebouwd voor
en droeg de initialen van de schathemelrijke juwelier Leopold Dahmen. Het zou
gaan dienen als woonruimte en winkelpand. Nog tijdens de bouw werd het in 1934 echter
gevorderd door de Gestapo die er zijn hoofdkwartier voor Keulen in wilde vestigen.
De Gestapo onteigende het gebouw niet; zij verplichtten Dahmen
om het aan de Gestapo te verhuren. Dahmen was geen aanhanger van de nazi’s,
maar had weinig andere keuze dan in te stemmen met de deal, anders was hij mogelijk
gevangene nr. 1 geworden in zijn eigen kelder.
Bij een zwaar bombardement in 1942 bleef in de omgeving van de Appellhofplatz
vrijwel geen een steen meer op de andere. Maar een gril van het noodlot wilde
dat uitgerekend het Gestapo-hoofkwartier nauwelijks beschadigd raakte.
Na de oorlog en na de dood van Dahmen in 1949 bleef het
EL-DE-Haus in het bezit van zijn nabestaanden, die het aan de gemeente Keulen
verhuurden. De afdeling burgerlijke stand werd in het gebouw gevestigd. De
cellen in de kelder dienden als archiefopslagruimte.
Het schuurde aan alle kanten, de burgerlijke stand in een
ex-Gestaponest waar ooit folteringen en terechtstellingen waren uitgevoerd en geadministreerd.
Ook werd in het naoorlogse Keulen wel met een scheef oog gekeken naar de Dahmens
– die volgens mij niet erg veel schuld hadden aan de situatie, maar er in ieder
geval beslist niet armer van waren geworden.
In de jaren 80 werd het NS-Dokumentationszentrum der Stadt
Köln in het pand gevestigd, met een permanente tentoonstelling die ik
vanmiddag ga bekijken. NS staat voor Nationalsozialismus.
Het gebouw ziet er nog steeds uit als een oud, afgebladderd
kantoor uit het pre-digitale tijdperk. Hier hebben dus de knechten van Hitlers
moordmachine hun werk verricht en hun dagelijks brood verdiend. Ik zeg altijd:
‘Je moet er geweest zijn om het te begrijpen’, maar dit valt onmogelijk te
begrijpen: het leed in de martelkelders niet, maar al die nijvere
kantoorklerken op de bovenverdiepingen evenmin.
De tentoonstelling is zo Spartaans ingericht als past bij
het onderwerp ervan. Zoals vaak in Duitse musea bestaat hij grotendeels uit
tekst en maar een bescheiden hoeveelheid beeldmateriaal en voorwerpen.
Ik weet niet waarom ik ook nog een audiotour genomen heb, om
me via een luisterapparaat zeer uitvoerig bij te laten praten in het Engels. Die
tour kent tientallen en tientallen items. Je moet er een hele dag voor uittrekken
als je alles wilt horen en lezen. Maar na anderhalf uur begin ik tekenen van
uitputting te vertonen.
Ik zal de laatste zijn om me gaan te beklagen over wat
geringe ongemakken op een plek waar zoveel leed is aangericht, maar een comfortabele
zitbank zou hier toch niet misstaan. Enkele generatiegenoten zie ik uitgeput
neerzijgen op een houten plank in de vensterbank, boven de radiatoren.

Linksboven het EL-DE_Haus. Linksonder: ‘Ook jij behoort toe
aan de Führer.’ Ook meisjes waren van harte welkom bij 2 onderafdelingen van de
Hitlerjugend: De Bund Deutscher Mädel voor jongedames van 15 tot 18 jaar,
en de en Jungmädelbund voor meisjes tussen 10 en 14.
Mijn moeder vertelde vaak dat er bij haar een meisje in de
klas zat dat lid was van de Jeugdstorm, het Nederlandse equivalent van die
Duitse organisaties. Het was een soort padvinderij waar ‘foute’ Nederlanders
hun kinderen heen stuurden. Dat meisje kwam op zaterdagmorgen altijd op school
in Jeugdstorm-uniform in vol ornaat, en werd door alle anderen in de klas diep
gehaat en doodgezwegen. Achteraf zei mijn moeder: ‘Ze werd ook maar gestuurd
door haar ouders’.
Rechtsonder een verkiezingsposter van de communisten, die
sterk tegen Hitler gekant waren.
Bij de Reichtagverkiezing op 5 maart 1933 behaalde de NSDAP
van Hitler een grote overwinning, maar net geen meerderheid. Toch wist Hitler
de alleenheerschappij te grijpen.
De Westdeutscher Beobachter (=beschouwer) was in de regio
Keulen – Aken de officiële partijkrant van de NSDAP. Op 31 januari 1933 kopte
de krant: ‘Hitler de bevrijder’. De dag daarvoor was Hitler benoemd tot
Rijkskanselier.
Ik schiet bijna in een homerische en bevrijdende, doch
geheel opgepaste lachbui als de Engelse spreker in mijn oor de naam van de Beobachter
tastend en aarzelend uitspreekt als: BIE-oh-BECK-ter.

Nu daal ik dan maar af om de cellen in de kelder te bekijken.
Die kelder was oorspronkelijk geen gevangenis, maar was alleen bedoeld om
verdachten tijdelijk op te sluiten. Bij de verhoren dwong de Gestapo bekentenissen
af met grof geweld. De verdachten werden geslagen en geschopt, en kregen ervan
langs met knuppels en boksbeugels. De pijnkreten waren tot op straat te horen.
Zo’n smalle cel (links op de foto) was oorspronkelijk
bedoeld voor 2 verdachten, maar herbergde tegen het eind van de oorlog soms wel
20 of meer personen. Ze moesten hun behoefte doen op een emmer.
Wie veel geluk had, werd op een gegeven moment vrijgelaten.
Anderen werden zonder proces opgehangen op de binnenplaats. Hun lijken werden
door vuilniswagens afgevoerd naar een geheime begraafplaats.
Vele gevangenen schreven teksten op de wanden van hun cel:
hun naam, noodkreten over de kwellingen die ze hadden ondergaan, boodschappen
aan hun dierbaren, die vermoedelijk nooit gelezen zouden worden. Mensen van
tientallen nationaliteiten hebben hier gevangen gezeten. Veel teksten waren in
cyrillisch schrift, geschreven door Oekraïners en Russen.
De wanden zijn in de loop van de jaren een paar keer
overgeverfd, waardoor duizenden van die teksten verloren zijn gegaan. De 1800
die na de oorlog nog resteerden, zijn allemaal gefotografeerd, ontcijferd en
vertaald, en verzameld in een boek.
De schrijvers van die teksten beklaagden zich vooral over
twee bewakers, van wie ik de namen gelukkig vergeten ben te noteren. Ze waren extra
wreed tegen de gevangenen, en hadden daar groot plezier in; pure sadisten. Na
de oorlog zijn ze niet gestraft voor hun euveldaden. Ze zullen zich wel
beroepen hebben op ‘Befehl ist befehl’.
Ik verlaat het EL-DE-Haus niet gillend, maar wel behoorlijk
murw. Frisse buitenlucht
inademen…
The castled crag of Drachenfels
Frowns o'er the wide and winding Rhine,
Whose breast of waters broadly swells
Between the banks which bear the vine.
And hills all rich with blossomed trees,
And fields which promise corn and wine,
And scattered cities crowning these,
Whose far white walls along them shine,
Have strewed a scene, which I should see
With double joy wert thou with me.
De eerste strofe van het gedicht ‘Drachenfels’ door Lord
Byron, overgenomen van Poetry Atlas/ Drachenfels, waar je het complete gedicht
vindt.

‘Voor ik aan de terugweg begin, neem ik het uitzicht nog een
keer heel goed in me op. Ik heb er een verre reis voor gemaakt en verwacht
niet, hier binnen afzienbare tijd terug te komen’.
Dat schreef ik in mijn reisverslag uit de zomer van 1998
(ja, toen bestond deze site al!), toen ik een dagtocht ondernam naar de Drachenfels.
Het was het eerste artikel op deze site dat in Duitsland speelde.
Het was ook mijn eerste kennismaking met het Duitse
tramwezen, dat ik meteen al een stuk boeiender vond dan dat in Nederland. Wat hadden
wij nog, nadat alle plattelandstrams in de loop van de 20ste eeuw verdwenen
waren? Vier netten met stadstrams (voor zover je dat van Utrecht een ‘net’ kon
noemen).
In Duitsland is er veel meer variatie. Op die eerste tramdag
in Duitsland zag ik al trams die voortkropen door de stad, door tunnels onder
de stad door schoten en over ex-spoorlijnen plattelandsdorpjes ontsloten.
De tramnetten van Keulen en Bonn, 30 km uit elkaar gelegen,
bleken verbonden door de Vorgebirgsbahn (lijn 18) en de Rheinuferbahn (lijn 16).
In 2024 deed ik beide lijnen nog eens over, deze keer vanuit Bonn.
Op deze reis naar Keulen ga ik de Drachenfels ook nog eens
dunnetjes overdoen.
De Drachenfels is een steile heuvel, en tevens toeristische
attractie en min of meer pretpark, op de rechter Rijnoever, op zo’n 40
kilometer ten zuiden van Keulen. Hij reikt tot 321 meter boven het zeeniveau,
en is daarmee exact even hoog als de Vaalserberg, de hoogste ‘berg’ van
Nederland.
De burcht op de top, waarvan de ruïne nog zichtbaar is, had
een militaire functie. Dat is nooit het geval geweest met het slot Drachenburg,
halverwege de heuvel. Ik noemde het in 1998 een nepkasteel, en sloeg het over,
maar ga het deze keer wél bezoeken.
Op station Messe/Deutz wil ik de RE nemen naar Bonn, met
eindbestemming Koblenz. Hij verschijnt maar twee minuten te laat; de moeite van
het vermelden niet waard. Oh wacht, nee, ik kijk verkeerd: hij is een úúr plus
2 minuten te laat! Dat is andere koek! Er klinkt een mededeling over die vertraging
uit de luidsprekers. Ik sta er meewarig om te lachen, net als een echtpaar van
mijn leeftijd doet, 20 meter verder op het perron. Deutsche Bahn is echt de
risee van het land.
‘Wir bitten um Entschuldigung’, het klinkt vaak op de
perrons; tientallen keren per dag smeekt DB ons om vergiffenis. Ik snap niet
dat ze een trein die een uur te laat is, niet opheffen. Nu zit hij alleen zijn
opvolger maar in de weg, als die toevallig een keertje wél op tijd is.
In Bonn stap ik over op de tram, of eigenlijk Stadtbahn, lijn
66 naar station Bad Honnef, het eindpunt waar ik in 1998 geen tijd meer voor
had. Het ligt een kilometer of 5 voorbij de Drachenfels.
Net als die keer 2 jaar geleden stopt hij op de
U-Bahnstations in het voormalige regeringskwartier van Bonn langs lege perrons.
Daarna kruist hij de Rijn en rijdt over de rechter Rijnoever verder naar het
zuiden. Oberdollendorf is zo’n plaatsnaam die je 28 jaar lang onthoudt.
Deze tram rijdt elke 10 minuten, maar slechts één op de 2 trams
rijdt door naar Bad Honnef. De andere keert in het centrum van Königswinter.
Bad Honnef is een alleraardigst stadje aan de Rijn, met
25.000 inwoners. Het is vandaag schitterend weer. Al snel als ik de stad in loop,
worden de eerste vakwerkhuizen zichtbaar. Net als trams, zijn vakwerkhuizen in
Duitsland overvloediger aanwezig dan in ons land.
Bad Honnef is, zoals je ziet aan het voorvoegsel ‘Bad’, een
Kurort. Het heeft een mild klimaat, doordat het ligt in het dal van het
Zevengebergte, waarvan de Drachenfels maar de 7e top is qua hoogte. Het is er
op deze zonnige lentedag kokend heet.
Ik loop terug naar het station. Daar tram 66 net weg is, pak
ik de trein naar Königswinter. Een paar minuten later sta ik in die stad aan de
voet van de Drachenfels.


28 jaar geleden kwam ik er, gewend aan de Nederlandse
polders, al nauwelijks tegenop, dus deze keer neem ik de tram; de tandradtram.
Dat is ook een vorm van vervoer die je in Nederland, om begrijpelijke redenen, niet aantreft. In Duitsland heb je er
ook maar 4, waarvan dit de oudste is. Een andere deden wij van De digitale
reiziger eerder dit jaar: de ‘Zacke’ van Stuttgart.
Deze hier is aangelegd in 1883, en werd toen getrokken door stoomlocs
die in de jaren 50 zijn vervangen door elektrische wagens onder een
bovenleiding. Hij overbrugt op zijn route van 1500 meter een hoogteverschil van
220 meter en heeft een maximum stijgingspercentage van 20%. Ik zei het al: de
Drachenfels is knap steil.
Ik schrok de vorige keer dat ik hier was, terug voor de
prijs. Maar die bedraagt maar 14 euro voor een retourtje. Geen reden om gierig
te zijn, tenzij je de ritprijs gaat delen door het aantal kilometers (nl. 3) dat
je aflegt. Maar alleen een krentenweger verzint zoiets. In ’98 had ik net een
slopende voltijdbetrekking in de ICT verruild voor een weinig veeleisend halve-dagenbaantje
naast een studie die ik had opgepakt; ik gooide mijn geld niet graag over de
balk.
‘Rakkettakketak!’ Onderweg hoor ik geratel onder de vloer
vandaan, zodat ik tenminste weet dat ik in een tandradtram zit. Het zijn
ongelede tramwagens met een stuk of 30 zitplaatsen. Ze kunnen gekoppeld rijden,
maar dat is op een rustige doordeweekse dag als vandaag niet nodig.

De ruïne is geen spat veranderd sinds 1998. Er is nu wel een
restaurant met terras, een meter of 20 onder de top. Dat was er toen toch nog
niet? Jawel, dat was er wel, het staat zwart op wit in mijn stukje. Je mag niet
naar de ruïne klimmen als het onweert. Dat lijkt me sowieso af te raden, ook al
zou het niet verboden zijn.
Het uitzicht over de Rijn is nog steeds onbetaalbaar. Maar
ook deze keer zie ik Keulen niet in de verte; alleen wat hoogbouw in Bonn.
Ook de Engelse dichter George Gordon, Lord Byron (1788-1824)
was bijzonder onder de indruk van het uitzicht, toen hij eens de Drachenfels beklom.
Hij miste daarbij wel vrouwelijk gezelschap om de dag helemaal perfect te maken.
Ik heb dat zelf wat minder. Maar alle reisschrijvers, zowel
de romantische dichters als de realistische prozaïsten, weten zich immer
vergezeld van hun lezers.


Met de tandradtram daal ik af naar de tussenhalte,
halverwege de rit. Hier is dus dat nepkasteel, zoals ik het noemde. Dat is wel
een treffende omschrijving, nu ik er oog in oog mee sta; ik vind het wat kitscherig,
in namaak-oude stijl opgetrokken.
Het is in 1884 gebouwd in opdracht van Stephan von Sarter,
een rijke baron en bankier, die er zelf nooit gewoond heeft. Tot in de jaren 30
heeft het slot verschillende families gehuisvest. Daarna kreeg het een
museumfunctie.
De bewoners zullen goed gegeten hebben in die riante eetzaal
op de foto. Hee, daar sta ik onverwachts tegenover Rembrandt. In musea in het
buitenland ga ik altijd naar hem op zoek, maar hier loop ik hem plotseling
tegen het lijf. Hij gaat hier vergezeld van de Leidse sleutels.
Het slot heeft tientallen van deze prachtige
gebrandschilderde ramen met bekende figuren uit de geschiedenis. Naast Rembrandt
staat, althans op mijn fotomontage, Friedrich Schiller, langs wiens
geboortehuis wij laatst liepen in Marbach; daaronder Beethoven uit Bonn, en Mozart bij wie ik ook al eens op theevisite was.
Dit slot kan me verder niet lang boeien. Ik neem de
tandradtram terug naar Königswinter en daarna tram 66 naar Bonn.
Op Bonn Hbf wil ik de trein terug nemen naar Keulen, maar op
het perron staan louter vertragingen aangekondigd. Geïrriteerde reizigers staan
in de brandende zon te wachten op treinen die het eerste half uur niet zullen
verschijnen.
Ik pak de tram wel, de Rheinuferbahn. Er zitten hier een
paar mensen een boek te lezen in plaats van op hun smartphone; het valt gewoon
op. Een carillon in een dorp speelt ‘Can Can’ van Offenbach en Bad Manners. Of
was dat nou een ringtone van een trampassagier? Dat lijkt waarschijnlijker.
Mijn aantekeningen zijn na 5 maanden niet altijd meer
begrijpelijk voor mezelf. Ik snap na bijna 30 jaar bloggen nog steeds niet,
waarom ik sommige dingen wél, en andere dingen niet opschrijf. Wat ik niet
opmerk, kan ik in ieder geval niet noteren.
Na een rit van 3 kwartier stap ik in Keulen uit op de
Ubierring voor de fotowandeling langs de Rijn die hierboven al beschreven staat
in dit niet-chronologische verhaal.
Wordt nog één keer vervolgd!
Frans Mensonides
25 oktober 2026
