
Gijsbrecht verguisd
Het verhaal
Schouwburg
De voorstelling
Verantwoording afbeeldingen
Literatuur
Joost van den Vondels tragedie Gijsbrecht van Aemstel (1637): meer dan drie eeuwen lang was het een klassieker waaruit iedere Nederlander wel een paar
regels kon citeren. Ooit was de Gijsbrecht
traditioneel het eerste toneelstuk dat een kind of tiener zag in de schouwburg;
was het niet met de ouders, netjes opgedoft, dan wel met een verplicht bij te
wonen voorstelling via school. En dat
meestal op of rond nieuwjaarsdag.
Aan het eind van de roerige jaren 60 kwam er abrupt een eind aan
de Gijsbrecht-traditie. De wat statige, statische klassieker, met
zijn ouderwetse taal en dreunende versregels, paste niet meer in een tijd van
afrekenen met de gevestigde orde.
Gijsbrecht kwam ten val in Rotterdam, waar een
held uit 020
altijd al een uitwedstrijd speelt. In 1967 werd kort na nieuwjaar een
voorstelling in de Rotterdamse Schouwburg (de ´Noodschouwburg’,
opgetrokken na
het bombardement van 1940) verstoord door scholieren die ballonnen
lieten
knappen en regelmatig een gejoel aanhieven. De acteur die Gijsbrechts
broer
Arend speelde, moest tijdens zijn sterfscène om stilte verzoeken - en
viel vervolgens ook nog van de brancard waarop zijn lijk werd
afgevoerd. Meer over die gedenkwaardige woensdagmiddagvoorstelling in mijn rubriek FHM's >>>
Leraren namen het nota bene op voor de baldadige pubers, in
plaats van ze eens flink aan de oren te trekken; de Gijsbrecht kon écht niet meer in deze tijd. De laatste
nieuwjaarsopvoering in Amsterdam zou, ook in een rellerige sfeer, plaatsvinden
in 1968. Dat was in zekere zin maar goed ook, want in 1970 zouden de acteurs
ongetwijfeld een regen van tomaten naar het hoofd hebben gekregen; de Actie Tomaat
wilde ons toneel met harde hand dwingen tot modernisering.
En eerlijk is eerlijk: wie onderstaand geluidfragment en
filmpje afspeelt, zou tot de conclusie kunnen komen dat een Gijsbrecht vijftig jaar geleden een hele
zit was : zo’n dikke anderhalfduizend wat
stijfjes over het voetlicht gebrachte
alexandrijnen en daarbovenop na het eerste tot/met vierde bedrijf nog eens een
rei, een intermezzo met zang.
Wellicht had de regisseur in de jaren zestig die reien
eigentijds moeten vervangen door muziek van de Beatles. Al Dente deed dat bij
de opvoering van Faeton in 2009, en bewees daarmee dat de Gouden Eeuw en de
jaren zestig elkaar beslist niet hoeven te bijten.
1957: Beeldfragment uit het vijfde bedrijf
1963: Geluidsfragment: De droom van Badeloch
Gedurende de afgelopen veertig jaar zijn er nog vele
Gijsbrechten opgevoerd, maar doorgaans edities waar Vondel zelf niet veel meer
van zou snappen: vrouwvriendelijke Gijsbregten in het jaar van de vrouw, 1975,
Gijsbrechten met slapstick in de jaren
tachtig, Gijsbrechten met Amerikanen en Afghanen in de jaren nul van onze
huidige eeuw.
Maar nu, in dit pasbegonnen jaar 2012, is Gijsbrecht van Amstel dan ‘ten langen
leste’ (om te citeren uit de bekende openingsregel) in min of meer originele
vorm terug op de planken. Het Toneel Speelt toert deze winter met deze
klassieker door het land met een versie die zowel recht doet aan Vondels
oorspronkelijke stuk als aan de ogen en oren en ongedurigheid van de moderne
toeschouwer.
Ik kwam kijken, en deed dat uiteraard in Rotterdam, waar
Gijsbrecht 45 jaar geleden zo’n smadelijke nederlaag leed. Eerst iets meer over
de inhoud en de achtergrond van Gijsbrecht
van Aemstel.

Acteur Willem Ruyters in de kleedkamer, klaar voor zijn rol
van Gozewijn; tekening van Rembrandt van Rijn.
Volgens een hardnekkige legende zou Ruyters bij een repetitie het woord
´mijter´ in zijn tekst vervangen hebben door ´strontpot´.
Vondels Gijsbrecht zou gezien kunnen worden als een vervolg
op Geeraerdt van Velsen (dat ik in
2009 zag in Voorburg). Dat historische toneelstuk van P.C. Hooft uit 1613
handelt over het moordcomplot in 1296 van drie edelen, waaronder Gijsbrecht van
Aemstel, tegen de Hollandse graaf Floris V. De titelheld uit dit stuk, Van
Velsen, is bezeten van wraakzucht omdat Floris V zijn vrouw Machteld verkracht
heeft.
Vondels Gijsbrecht
speelt enkele jaren later, kort na 1300. Gijsbrecht van Aemstel is nu heer van
Amsterdam, dat aangevallen wordt door Kennemers, Haarlemmers en Waterlanders
die de dood van Floris V willen wreken. Aan het begin van het toneelstuk lijkt
Amsterdam na een belegering van ruim een jaar de eindoverwinning te behalen; in
de kerstnacht nemen de vijanden de wijk. Vosmeer, een overgelopen vijand, komt uit
een gracht gekropen en wordt voorgeleid voor Gijsbrecht. Hij vertelt dat zijn
makkers gevlucht zijn na onderlinge twist tussen twee legeraanvoerders, en in
de haast een schip vol hout achtergelaten hebben.
Vosmeer beweert, bescherming te zoeken bij Gijsbrecht, maar
is in werkelijkheid een spion en een bedrieger. Het schip, dat door Gijsbrechts
mannen de stad wordt binnengehaald, zit tjokvol met onder het hout verborgen
soldaten. In het holst van de nacht, als de bevolking van Amsterdam zich in de
kerk bevindt om het kerstfeest en de overwinning te vieren, komen zij
tevoorschijn en nemen de stad in. Een list die natuurlijk doet denken aan die
met het paard van Troje – en aan de verovering van Breda met het turfschip, in
1590.
Gijsbrecht, nog onkundig van wat er in de stad gebeurt,
treft zijn vrouw Badeloch thuis aan in staat van ontreddering: zij heeft in een
droomvisoen haar overleden nicht Machteld gezien (die in 1296 verkracht was
door Floris V en vervolgens bij de veldslag om het Muiderslot was omgekomen).
Machteld waarschuwde Badeloch voor de op handen zijnde ondergang van de stad.
Dan dringt het krijgsrumoer door tot het kasteel van
Gijsbrecht. Er volgen diverse militaire verwikkelingen, waarover de
toeschouwers op de hoogte gehouden geworden door ooggetuigen, waaronder een
bode. Slecht één gevechtsscène is te zien op het toneel. Vijandige soldaten
dringen binnen in het Clarissenklooster, vermoorden de daar ondergedoken
bisschop Gozewijn en verkrachten en doden de nonnen. In de 17e-eeuwse
opvoeringen van de Gijsbrecht werd op
dit punt een ´vertoning´ ingelast, een pantomime. Deze verstarde na enige tijd
tot een tableau vivant. Tien minuten lang bleven de acteurs doodstil staan om
het treurige tafereel uit te beelden.
In het vijfde en laatste bedrijf staat de wanhoop van
Badeloch centraal. Gijsbrecht wil zijn zinloze en verloren strijd om Amsterdam
voortzetten, en prest haar tot een vlucht met hun twee kinderen. Badeloch wil
blijven en samen met Gijsbrecht ten onder gaan. Op het hoogtepunt van hun woordenstrijd
daalt de engel Rafaël neer vanuit de toneelhemel en gebiedt beiden, de wijk te
nemen naar Pruissen en daar een kolonie te stichten. Amsterdam zal dan over 300
jaar afrekenen met haar vijanden en haar kroon verheffen naar de hemel.

Hans Jurriaensz. van Baden, Interieur van de Amsterdamse
Schouwburg, 1653.
Vondel schreef de Gijsbrecht
in 1637 ter gelegenheid van de opening van de Amsterdamse Stadsschouwburg, het
eerste stenen theater van Nederland (en de eerste ‘schouwburg´; dat woord is in
1637 bedacht door Vondel). Het gebouw aan de Keizersgracht was de opvolger van
de Eerste Nederduytsche Academie op dezelfde plek, in 1617 gesticht door
Samuel Coster (zie de pagina op mijn site). De nieuwe schouwburg was ontworpen
door de bekende architect Jacob van Campen.
Diens creatie had op 26 december 1637 moeten worden ingewijd
met de Gijsbrecht, maar er kwam
verzet van calvinistische dominees die zich kantten tegen de vele katholieke
elementen in Vondels toneelstuk. Daarbij verloor men blijkbaar uit het oog dat
het speelde rond 1300, toen Calvijn en het calvinisme nog geboren moesten
worden.
Na het schrappen van enkele al te paapse scènes kon de
opening op 3 januari 1638 toch nog doorgang vinden. Het Amsterdamse
gemeentebestuur woonde de première van de Gijsbrecht
niet bij, om de dominees niet voor het hoofd te stoten, en bezocht de
voorstelling pas op 5 februari. Al heel lang voor de sixties was de Gijsbrecht een omstreden stuk!
Evenals Hooft bij Geeraerdt
van Velsen baseerde Vondel de Gijsbrecht
heel losjes op de historische feiten. In werkelijkheid is de stad Amsterdam wél
belegerd geweest, maar nooit op grote schaal verwoest – en was Gijsbrecht in
die tijd een stokoud man, of zelfs al overleden. En evenmin als Hooft had
Vondel de intentie, een getrouw beeld te schetsen van een stuk middeleeuwse
geschiedenis. Nee, het was hem erom begonnen, een heldhaftige ontstaanslegende
te creëren van Amsterdam, en die te baseren op goddelijke voorzienigheid.
Daarbij speelde hij, zoals zoveel dichters in zijn tijd, leentjebuur bij de
klassieken, en wel bij Aeneis van de
Latijnse toneelschrijver Vergilius.
De Aeneis verhaalt
hoe de held Aeneas weliswaar de Trojaanse oorlog verliest en moet vluchten uit
zijn vaderland, maar wel de stichter wordt van de stad Rome. Ook Vondels
Gijsbrecht moet zijn vaderstad verlaten om deze drie eeuwen later tot volle
bloei te laten komen (het verband tussen beide gebeurtenissen maakt de engel Rafaël
niet geheel duidelijk).

Vondel, die Abraham zag in het jaar dat hij de Gijsbrecht
dichtte, heeft nog meegemaakt dat het stuk een nieuwjaarsklassieker werd.
Gedurende de eerste 100 jaar na de première is het stuk 300 keer opgevoerd,
alleen al in de Amsterdamse Stadsschouwburg.
Tegenwoordig moet de Gijsbrecht
ingeleid worden bij het publiek, omdat vrijwel niemand het meer kent van
school. Een veel uitgebreidere inleiding dan de mijne ging in Rotterdam vooraf
aan het stuk (door mij overgeslagen wegens een krappe agenda). Men kon hiervoor
al om 19:00 uur bijeenkomen in een bijzaaltje.
Als ik een uur later de schouwburg betreed, zie ik vooral
jongere ouderen als ikzelf (waarvan er vast een aantal bij die beruchte
opvoering van 1967 waren, en vandaag boete doen). Maar ook zie ik een jongen
van een jaar of 13, die volgens oude traditie door middel van de Gijsbrecht wordt ingewijd in de
toneelcultuur; ‘Het moest er nu maar eens van komen’, zegt zijn vader. De
jongen, in zijn netste overhemd, lacht flauwtjes.
Op het doek van de bijna uitverkochte schouwburg zijn de
contouren van Amsterdam geprojecteerd, zoals die waren rond 1300: een
onbeduidend havenstadje aan weerszijden van Damrak en Rokin; niet de machtige
wereldstad uit de tijd van Vondel. Het stuk wordt ingeleid door geluiden van
donderend krijgsgeweld.
Een moment waarnaar ik met spanning heb uitgekeken: hoe gaan
ze het doen? In originele taal op rijm, zodat veel moderne toehoorders moeten
afhaken? In moderne bewerking in proza, zodat voor de ingewijden in het
vroegmoderne Nederlandse toneel de fleur eraf is? Ik laat me verrassen; heb van
te voren bewust geen recensies of achtergrondartikelen gelezen.
De regisseur, Jaap Spijkers, blijkt een zeer bevredigende middenweg gevonden
te hebben. De toneelspelers spreken in
Vondels versregels, maar op sommige plaatsen zijn in onbruik geraakt woorden
vervangen door moderne, wat natuurlijk de begrijpelijkheid zeer ten goede komt.
De acteurs gaan met deze rijmende alexandrijnen ook om op de
enige acceptabele manier voor moderne oren: ze werken ze heel handig weg. Waar
je in de hierboven gelinkte geluidsfragmenten toch na enige tijd steeds meer in
de greep komt van de ‘dreun’, komen de teksten hier heel natuurlijk over de
lippen van de acteurs. Ik moet de tekst echt op de voet volgen om het metrum en
het rijm te onderkennen – maar waarom zou ik eigenlijk? Juist door het
wegwerken van rijm en metrum komt de kracht en de emotionele lading van Vondels
tekst goed over het voetlicht. Waar Hoofts Geeraerdt
van Velsen toch op veel plaatsen vooral een rationeel discussie-stuk is,
toont de Gijsbrecht veel duidelijker
de zielenworsteling van de hoofdpersonen.
Dan de reien, ook altijd een teer punt in bewerkingen van
toneel uit de 17e eeuw. Je hebt er verstokte liefhebbers van… In de
huidige toneelpraktijk worden ze echter meestal vervangen door moderne muziek
(waarbij ik de Beatles bij Faeton passender vond dan Stevie Wonder bij de nogal
tegenvallende opvoering van Lucifer door Annette Speelt in 2005), of geheel
weggelaten.
Knap is de oplossing die Het Toneel Speelt bedacht heeft.
Marise van Eyle draagt na elk bedrijf een kort gedicht in hedendaags Nederlands
voor met dezelfde strekking als de reizang in de Gijsbrecht (bijvoorbeeld de kwetsbaarheid van het kindeke Jezus,
omringd door vijanden, vergelijkbaar met de situatie van het belegerde
Amsterdam). Onmisbare gevleugelde woorden als ‘Waer werd oprechter
trouw / Dan tusschen man en vrouw / Ter weereld oit gevonden?´en: ´O Kersnacht,
schooner dan de daegen´ worden er dan wel ingevlochten.
Toch even afgeleid, vraag ik me opeens af, wanneer eindelijk
Gijsbrecht, the movie eens gemaakt zal
worden. Dan kunnen we al die indirect verhaalde gevechtsscènes eens echt
meebeleven, en in rustigere fragmenten genieten van de originele reizangen als
achtergrondmuziek. Plannen voor een verfilming zijn er ooit geweest.
Terug naar de voorstelling van Het Toneel Speelt. Heel
bijzonder is het decor. Het bestaat uit een plateau dat met behulp van een
hydraulisch hefwerktuig kan stijgen, dalen en kantelen, en in de loop van het
stuk afwisselend een kloostermuur voorstelt, een torentrans of de geblokte
vloer van Gijsbrechts en Badelochs stadskasteel. Een vondst die toch ook
teruggrijpt op de theaterarchitectuur en -techniek van de 17e eeuw,
die voorzag in vaste torentransen en verwisselbare of draaibare panelen met
verschillende voorstellingen.
De bewerker heeft de schaar gehanteerd, en vooral
het lange laatste bedrijf, dat ca. een derde van de totale tekst beslaat,
drastisch ingekort, zonder dat de niet-ingewijde echt iets zal
missen. Daardoor klinkt reeds om 22:00 uur het slotwoord:
Frans Mensonides
19 januari 2012
Gezien: woensdag 11 januari 2012 in Rotterdam
* Affiche:
Het
Toneel Speelt
* Scènes uit het stuk: Theater aan de Parade (foto
1, foto 2)
* Portret Vondel: uit J.F.M. Sterck et
al., De werken van
Vondel. Dl. 5.
1645-1656. Amsterdam 1931.
p. 54.
* Gijsbrecht met schild: Albert van
Dalsum in 1932. Foto:
Nederlands Theater Instituut; overgenomen
uit Nederlandse Literatuur, een geschiedenis. Groningen 1993. p. 232.
* Gozewijn: Collectie Devonshire,
Chatworth. Overgenomen uit: Een theatergeschiedenis der Nederlanden. Tien
eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen. Amsterdam 1996. p.
205.
* Interieur Schouwburg: Nederlands
Theater Instituut. Overgenomen
uit: Een
theatergeschiedenis der
Nederlanden. Tien eeuwen
drama en theater in Nederland en Vlaanderen.
Amsterdam 1996. p. 195.
* Joost
van den Vondel, Gysbreght
van Aemstel. Met
inleidingen en aantekeningen
door Mieke B. Smits-Veldt. Amsterdam 1994.
* L. van Gemert, ‘De opening van de
Amsterdamse Schouwburg.
Vondel en de Gijsbrecht-traditie’. In: Nederlandse
Literatuur, een geschiedenis.
Groningen 1993. p. 230-236.
*M. Smits-Veldt,
‘Opening van de Amsterdamse Schouwburg met
Vondels Gijsbrecht
van Aemstel. Begin
van een traditie en het beheer de Schouwburg’. In: Een theatergeschiedenis der
Nederlanden. Tien eeuwen
drama en
theater in Nederland en Vlaanderen. Amsterdam 1996. p. 204-211.
*W.M.H. Hummelen, ‘Jacob van Campen bouwt de Amsterdamse
Schouwburg. Inrichting en gebruik van het toneel bij de rederijkers en
in de
Schouwburg’. In: Een
theatergeschiedenis
der Nederlanden. Tien
eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen.
Amsterdam 1996. p. 192-103.
*M. Gnyp, De
ontragische dood van Gysbreght van Aemstel: Het einde van een eeuwenlange opvoeringstraditie
in de culturele
context van Nederland van de jaren zestig van de twintigste eeuw.
* B.Albach, Drie
eeuwen ‘Gijsbreght van Aemstel’. Kroniek van de jaarlijkse
opvoeringen. Amsterdam 1937.
© Frans
Mensonides, Leiden, 2012.