Nrs. 76 t/m 83; APRIL / MEI 2011


82. EEN DAG OP DE OLYMPUS!; DAG VAN DE HOOGBEGAAFDHEID (2) (26/05/2011)
81.  EEN DAG OP DE OLYMPUS?; DAG VAN DE HOOGBEGAAFDHEID (1) (22/05/2011)
80. TOEGIFT OP 10 MEI: OORLOGSANEKDOTES (10/05/2011)
79. IN PLAATS VAN KAARTEN; BIJ DE DOOD VAN EEN KRUIMELDIEF 
(10/05/2011)
78A. AANVULLING OP HET RGL-VERHAAL (28/04/2011)
78. ‘VERTRAMBAAR’, OF: DE RIJNGOUWELIJN IS DOOD; LEVE DE RIJNGOUWELIJN! (24/04/2011)
77. WUBBO OCKELS’ SUPERBUS: EEN EEUWIGE BELOFTE (13/04/2011)
76. ‘DROOM IS WERKELIJKHEID’; NIEUW LEIDEN EN PARK ALLEMANSGEEST (06/04/2011)


<<< MAART 2011 ... OKTOBER / NOVEMBER 2011 >>>

 

83. HUYGENS’ ‘S GRAVENHAGE, OFWEL: EINDELIJK WEER EENS LITERATUUR OP DEZE SITE

Huygens werd door zijn geboorte’dorp’ geëerd met dit borstbeeld van Arend Odé en kan nu eeuwig uitkijken over de Zeestraat (tegenwoordig: Scheveningseweg), die in 1663 naar zijn idee en ontwerp werd aangelegd.

‘S GRAVENHAGE

Het heele Land in’t klein, de Wage vanden Staet,
De Schave vande Ieugt, de Schole van de Daed,
Het Dorp der Dorpen geen daer yeder Steeg een pad is,
Maer Dorp der Steden een daer ijeder Straet een Stadt is,
De rondom groene Buert, het rondom steenen Hout,
De Boers verwondering, al komt hij uyt het woud,
De Stémans steedsch vermaeck, al komt hij uyt de mueren,
Der Vijanden ontsagh, De Vrijster vande Buren,
De Werelds leckernij, des Hemels welgevall;
Is ’t daer met all gesegt, soo ben ick meer dan all.

DEN HAAG

Ik ben het hele land in het klein, de weegschaal van de staat, de opvoeder van de jeugd, de leerschool voor de daad. Ik ben niet het dorp der dorpen waar iedere steeg een paadje is; nee, ik ben het dorp der stéden, waar iedere straat een stad op zich is: de huizen, omringd door groen; het hout, omringd door steen. Ik ben de bewondering van de boer, ook al komt hij uit het woud; ik ben het stedelijk vermaak van de stadsbewoner, ook al komt hij tussen de muren vandaan. Ik ben de schrik van mijn vijanden, de geliefde van mijn buren, het genoegen van de wereld, het welbehagen van de hemel. Als alles daarmee gezegd is, dan ben ik meer dan alles.

27 augustus 1624

Gedicht overgenomen van:
Constantijn Huygens Gedichten 1607-1687 (Uitgave naar Huygens’ handschrift door Universiteit Leiden, Opleiding Nederlandse taal en cultuur).

Naar de Stede-stemmen-site > > >

Het laatste woord van de jaargang FHM’s A-viertjes 2010/2011 is voor onze huisdichter Constantijn Huygens (1596-1687). In de (na)zomer van 1624 schreef hij De stemmen eeniger Steden ende Dorpen van Holland, meestal kortweg Stede-stemmen en dorpen genaamd, of ook wel, nog korterweg: Stede-stemmen. Deze bundel, die een jaar later werd opgenomen in zijn verzameld werk, Otia, bevat 24 tienregelige gedichtjes over steden en dorpen gelegen in Holland en West-Friesland (ongeveer het grondgebied van de huidige provincies Noord- plus Zuid-Holland).

Den Haag, geboorte- en woonplaats van Huygens, vond in de bundel een plekje onder de dorpen. Het kon, in tegenstelling tot buursteden als Leiden, Delft, Schiedam en Rotterdam, niet bogen op stadsrechten en stadsmuren. Maar het was wel, net als in de huidige tijd, het politieke machtscentrum van de Lage Landen. Maurits van Nassau, stadhouder van vijf Nederlandse gewesten, hield er zijn hof; de Staten-Generaal en de machtige Staten van Holland vergaderden er; diplomaten uit alle delen van de wereld werden er ontvangen.

En sinds 1621 herbergde Den Haag zelfs een koning, zij het één in ballingschap: Frederik V van de Palts, alias Frederik I van Bohemen. Hij woonde hier wat krapper dan hij het thuis gewend was, maar wel veel en veel ruimer dan de krijgsheren van de Balkan die in de huidige tijd de nadagen van hun loopbaan doorbrengen in Den Haag.

Tegenwoordig mag onze residentie een stad heten, zij het geen hoofdstad, maar spreken we meestal in ongunstige zin over ‘Den Haag’ (waar ze maar raak-bezuinigen, lekker op het pluche zitten, zich van ons, burgers, niets aantrekken, enzovoort). In Huygens’ opvatting was Den Haag zowel het hart als de ziel van het land; de leerschool en het geweten (‘Wage', weegschaal) van de natie. Den Haag is een bijzonder dorp: het gaat alle dorpen en steden te boven. En zelf is het daarbij twee in één, stad én dorp. Zowel boer als stedeling zijn vol bewondering voor Den Haag, maar zullen zich er ook gauw thuis voelen.

Dit gedicht, ’s Gravenhage, is karakteristiek voor de hele bundel Stede-stemmen. Alle steden en dorpen worden sprekend ingevoerd en steken de loftrompet over zichzelf. Heldendaden in het recente of verre verleden worden aangeroerd; de dapperheid van de bewoners geroemd.

Vooral de strijd tegen Spanje is een telkens terugkerend thema, al speelt die in ’s Gravenhage geen rol. Holland had zich 50 jaar eerder al vrijgevochten van de gehate Spaanse koning. In de buitengewesten van het land ging de strijd echter voort. En dat zonder erg veel succes in de periode dat Huygens Stede-stemmen schreef. Er werden nederlagen geboekt; al het gewonnen terrein dreigde weer verloren te gaan.

Als ik even doe wat helemaal niet kan, Huygens postuum onder zijn schedeldak kijken, dan denk ik dat de dichter zijn medeburgers met Stede-stemmen vooral een hart onder de riem wilde steken. In elk gedichtje uit deze bundel valt de fiere, opgewekte, krijgshaftige toon op waarmee de steden en dorpen zichzelf presenteren. En telkens wordt aangestipt dat steden een zware slag te boven kunnen komen: Dordrecht een overstroming, Delft en Enkhuizen een grote stadsbrand. Het vaderland is nog niet verloren, dat is de boodschap van Stede-stemmen.


Van voorjaar 2007 tot voorjaar 2009 produceerde ik, in wisselend tempo, de ruim honderd webpagina’s van mijn populair-wetenschappelijke site over Huygens’ Zedeprinten, waarnaar ik hierboven kwistig gelinkt heb. Die site is een betrekkelijk succes geworden. Per dag trekt hij gemiddeld 75 bezoekers - waarvan overigens maar een kleine minderheid binnenkomt door de voordeur, de startpagina. Met die website ben ik een ambassadeur geworden van deze 17e-eeuwse ambassadeur.

Toen dit werk voltooid was, vatte ik het plan op, om er een site over de Stede-stemmen aan vast te knopen. Een logisch vervolg: Huygens schreef beide werken rond dezelfde tijd; samen vormen ze boek V van zijn Otia. Hij verklaarde een paar jaar later bovendien in een brief aan een relatie, dat Zedeprinten en Stede-stemmen de enige werken van betekenis waren die hij tot dan toe geschreven had. De rest van zijn oeuvre vond hij – met een bescheidenheid die ik niet erg serieus neem - niet veel meer dan een jeugdzonde.

Ik ben toen die 24 ‘stemmen’ gaan vertalen in modern Nederlands proza. Vervolgens legde ik het werk met de grilligheid van een niet-dichter plotseling terzijde, om te beginnen aan een reeks korte artikelen over de literatuur uit de 17e eeuw. Ik begon met een raillerend stuk over de Calvijn-tentoonstellingen, -herdenkingen en- aanbiddingen, die ons land die zomer teisterden.

Misschien had ik gewoon wel genoeg van de serieuzerigheid waarmee je literatuurgeschiedenis moet benaderen, ook de humoristen daaruit. In plaats daarvan ging ik met een Muiderberger op zoek naar de echo die zo’n belangrijke rol speelde in een toneelstuk van P.C. Hooft, en dat soort weinig wetenschappelijke escapades.

Die reeks artikelen vond in het voorjaar van 2010 een abrupt einde toen ik werd geroepen tot mantelzorgtaken. Een reeks over Jan van Hout kwam niet verder dan deel 1. Een FHM’etje of een reisverhaal schrijf ik toch gemakkelijker en sneller dan een gedegen stuk over de literatuur van weleer.

Deze zomer ga ik toch weer eens iets proberen te doen met het laatstgenoemde. Ik wil in ieder geval een uitgebreid artikel schrijven over de Stede-stemmen, de in 2009 voltooide hertaling publiceren, en het verhaal over Jan van Hout afmaken. En in november in het eerste FHM’s A-viertje van de reeks 2011/2012 vertellen wat daarvan terecht is gekomen.

FHM
31 mei 2011
Laatste aanpassing 17 juli 2011



81.  EEN DAG OP DE OLYMPUS?; DAG VAN DE HOOGBEGAAFDHEID (1)

Albert Einstein, hét schoolvoorbeeld van hoogbegaafdheid, viert zijn 72ste verjaardag (1951)
Overgenomen van Vlaamse vrienden van Israël

Soms wilde ik wel eens dat ik een paar vaardige handen aan mijn lijf had, in plaats van een goed verstand in m’n schedel. Laatst had ik dat nog, toen ik binnen één week 83 euro moest neertellen tussen de zwarte nagels van de gasfitter die een nieuwe knop aan onze kookplaat was komen zetten, en 97 in de beoliede werkmanshanden van een slotenmaker die in een wip ons slot had gerepareerd (ja, ja, voorrijkosten; rijdt zo’n auto op eau de cologne in plaats van benzine?).

Ik ben er al vaker over uit de kast gekomen; ik ben verschrikkelijk intelligent, maar ik kán zo goed als niets. Dat is mijn grootste loopbaan- zo niet: levenshandicap. Het eerste feit maakt dat ik behoor tot de groep van hoogbegaafden, al zet ik het niet in mijn CV en al geven niet alle artikelen in deze rubriek daar even duidelijk blijk van.

Wat let me dus om op 21 mei de Dag van de Hoogbegaafdheid 2011 te bezoeken, in het Olympuscollege in Arnhem, met als thema: arbeid? Een dag op de Olympus, tussen andere godenzonen, wie zou het versmaden!

Nu is het zo dat ik meer van dat soort manifestaties bijgewoond heb, en altijd met gemengde gevoelens. Aan de ene kant vormen hoogbegaafden een duidelijk afgebakende groep mensen. Ze scoren hoog op een IQ-test en hebben een overzichtelijk rijtje overwegend lastige eigenschappen voor hun dierbaren, bazen, collega’s en voor zichzelf: fanatisme, gedrevenheid, andere mensen dom vinden, aan die mening ook luidkeels uiting geven, nooit eens zin hebben in een gezellig kletspraatje, de neiging hebben om alles beter te weten, simpele taken verprutsen.

Zo’n bijeenkomst betekent aan de ene kant: thuiskomen tussen geestverwanten. Maar aan de andere kant ook ergernis aan de rare types die er rondlopen, veel raardere nog dan ik zelf. Ik ben in 1997 in een onbewaakt ogenblik lid geworden van Mensa, dat ik na 14 jaar nog steeds een nare, enge club vind. Je moet er toelatingsexamen voor doen, en verdeelt dan je verdere leven de mensheid in hoogbegaafden en dommeriken; simpel, zo’n zwart-wit mensbeeld! Die club heeft ook iets ouderwets padvinderigs. Veel leden van Mensa bezoeken graag kampeerweekenden waarbij puzzeltjes en quizjes gedaan worden, bij kampvuren gezongen wordt en waarbij ik steevast op de deelnemerslijst ontbreek.

Elke maand valt er een blad in mijn brievenbus, getiteld MensaBerichten, met artikelen van leden. Een rariteitenkabinet waar ik altijd weer naar uitkijk. Vaak lees je in erbarmelijk Nederlands gestelde persoonlijke ontboezemingen waaraan kop noch staart valt te onderkennen. Ziek word ik van die eeuwige extra moeilijke puzzels, alsof ik al niet genoeg problemen aan mijn kop heb. En vrijwel elke aflevering bevat wel een essay van iemand die haarfijn en definitief aantoont dat er geen ene mallemoer klopt van de relativiteits-, kwantum- of snarentheorie, zaken die me zelf niet bezighouden omdat ik er veel en veel en veel te dom voor ben. Ook in hoogbegaafdheid heb je weer gradaties.

Ik merk wel, dat ik zelf vol zit met de vooroordelen tegen hoogbegaafden die zo’n Dag van de Hoogbegaafdheid noodzakelijk maken. In Arnhem stap ik in de trolleybus naar Rijkerswoerd achter een gebogen lopende nerd met een jampotbril en een verfomfaaid colbert. Hij vraagt me of het normaal is, dat de lezer piept wanneer je je chipkaart erbij houdt. Nou, denk ik meteen, je kunt wel raden waarheen díé op weg is! Dat klopt ook: hij stapt tegelijk met mij uit bij de Rijnhal (waar het CDA laatst zijn laatste idealen verkwanselde aan Wilders), waarbij hij opnieuw staat te hannesen met zijn chipkaart. Even later staat hij achter me in de rij voor de Olympus.

Een hete rij; dit soort dagen worden altijd gehouden op lentedagen waarop je liever buiten zou zijn. In dat stukje uit 2000 was dat ook al zo. Die rij bevestigt weer een ander vooroordeel: dat hoogbegaafden niet al te sterk zijn in het regelen van praktische zaken. De organisatie had de deelnemers uit overwegingen van doorstroming aangeraden, on line een e-ticket te kopen. Degenen die dat gedaan hebben, staan nu een half uur in de rij om hun kaartje te laten scannen, terwijl degenen die de Olympus gewapend met een ouderwetse portemonnee beklimmen, meteen door kunnen lopen.

Binnen is een markt met standjes van hoogbegaafde hobbyisten (mijn hobby hoeft niet in een standje, want daar kijk je nu tegenaan), met opvallend veel standjes van psychotherapeuten en loopbaancoaches, en met kinderactiviteiten. De kinderen van hoogbegaafden zijn zelf vaak ook weer hoogbegaafd, wat mij altijd al één goede reden heeft geleken om me niet voort te planten.

En: já hoor, néé toch, ik had het kunnen weten; in de plenaire vergaderzaal is weer een spel gaande. Een astrologisch spel, nog wel, want beschamend genoeg blijken juist hoogbegaafden zich graag over te geven aan allerlei dom bijgeloof, criante esoterische nonsens en vaag new age gedoe, waar iedereen met enig onderscheidingsvermogen zich toch verre van zou moeten houden.

Hier betreft het een netwerkspel op basis van de Tzolkin-kalender van de Maya’s, waarover ik vorig jaar schreef in louter rekenkundige zin. Op grond van je geboortedatum kun je je ‘zegel’ uitrekenen. Je mag dit geen astrologie noemen van de organisatoren, maar zo’n zegel lijkt toch verdacht veel op een sterrenteken, zoals het ons wordt uitgelegd.

Tijdens het 20 minuten te laat uitgesproken openingswoord bemerk ik dat het sneue gevoel, waarmee ik vandaag al wakker werd, me niet wil verlaten.

Maar dat zal in deel 2 nog veranderen. Dat vervolg is inmiddels verschenen; lees hieronder gewoon verder!

FHM
23 mei 2011
er geweest: 21 mei 2011


82 EEN DAG OP DE OLYMPUS!; DAG VAN DE HOOGBEGAAFDHEID (2)

 

Overgenomen van Kuipers & Van Kempen; Verwarring door diversiteit

 

Ik ben nog steeds waar de vorige aflevering eindigde, nl. op de Dag van de Hoogbegaafdheid op de Olympus (althans een school achter de Rijnhal in Arnhem die zo heet). Je hoopt op zo’n dag op een aha-erlebnis, een verbluffend inzicht in jezelf of de wereld; dat is waarvoor je op een zaterdagmorgen bij nacht en ontij van huis gaat. Dat inzicht gaat er zowaar ook komen, tegen al mijn verwachtingen in.

En dat gebeurt dan tijdens een lezing van Willem Kuipers, wiskundige, coach en denker over hoogbegaafdheid (een verschijnsel dat hij zelf liever Xi noemt, extra intelligentie). Van hem heb ik ooit een boek gelezen dat, moet ik helaas zeggen, niet erg beklijfd is binnen de toch enorme opslagcapaciteit tussen mijn oren. Ik kon er weinig mee. Het heette Verleid jezelf tot excellentie, en ik ben vermoedelijk blijven steken in het vooroordeel dat excellent zijn niet mogelijk is, toch geen zin meer heeft in een verdorven maatschappij als deze, etc..

Maar tijdens zijn lezing ‘“Wie denk je wel dat je bent?”, over de kunst van ongewoon zijn’, zegt Kuipers iets heel intrigerends: ‘Er zijn meer manieren om ongewoon te zijn dan om normaal te zijn’. Zelf heb ik in de omgang met mijn medemensen vaak het gevoel dat ik op een andere planeet geboren ben dan zij, niet eens binnen de Melkweg, maar miljoenen lichtjaren van hier, net als in Third Rock from the Sun. Merkwaardig genoeg heb ik dat vooral onder medebegaafden, die toch mijn zusters en broeders moesten zijn. Zowel in de ICT als op de universiteit bleef ik een buitenbeentje.

Maar Kuipers legt het uit. Hij tovert een afbeelding op het scherm van een puntenwolk. De normalen vormen de harde kern van het plaatje; die klitten allemaal bij elkaar in het midden, een gezellige drukte van mensen die opvallend veel op elkaar lijken. Aan de periferie van de afbeelding zitten de uitbijters, de apartjes, ‘De vierkante pinnen in het ronde gaatje, de Ferrari’s die vreselijk hard kunnen rijden, maar ook erg gauw weer de pits in moeten, en niet zo geschikt zijn als boodschappenwagen’. Die zijn niet alleen ver verwijderd van het centrum, maar ook van elkaar. Immers: hoe verder van het middelpunt af, hoe dunner de wolk punten wordt.

‘Leegte en eenzaamheid’, doceert Kuipers. Het klopt. Over het algemeen kan ik bij normale mensen nog wel aansluiting vinden. Daar zijn er zoveel van, en die lijken zo zeer op elkaar, dat je er op den duur wel aan kunt wennen. Maar de leegte die je als hoogbegaafde om je heen hebt, daar valt soms moeilijk mee te leven.

Op die leegte stuit alles af. En daar komen ook die rare trekjes uit voort die hoogbegaafden hebben. Bijvoorbeeld die hang naar bijgelovige nonsens die ik in mijn vorige stukje zo enthousiast hekelde, en het kille cynisme dat ik zelf op dagen als deze zo duidelijk zichtbaar sta uit te wasemen. Dat zijn vaak zaken waarvoor hoogbegaafden hun denkvermogen misbruiken, vindt Kuipers. Als je maar diep genoeg doordenkt, kun je alles wat je ziet en meemaakt, persen in het keurslijf van een doctrine. Desnoods een cynische, die bij mij eigenlijk meteen al begint te verbleken.

De rest van Kuipers’ lezing hoor ik niet meer. Meteen na afloop doe ik iets wat de normale mensen ook wel weer niet zullen begrijpen: ik verlaat de Olympus, waarvoor ik een half uur in de rij heb gestaan, loop het terrein van de Rijnhal af en volg de trolleybusbovenleiding naar het eindpunt van lijn 7 in de wijk Rijkerswoerd. Mijn plotseling vrijgekomen geestelijke energie móét ik er eenvoudigweg uitlopen, in marstempo.

Ik snap nu ineens ook Willem Wind, die tijdens deze dag gefêteerd wordt omdat hij dit voorjaar en deze zomer heel Nederland rondwandelt om aandacht te vragen voor het lot van hoogbegaafden. Hij doet dat in een opzichtige wandeloutfit, met strooien hoed, zonder sandwichborden, maar wel met een bewonderenswaardige vastberadenheid.

In elke stad of dorp loopt hij het gemeentehuis binnen, vraagt de burgemeester of een wethouder te spreken en begint een discussie over het ook binnen die gemeente noodzakelijke hoogbegaafdheidsbeleid. Ergens ook een freak, Willem Wind, maar een sympathieke. En een dappere: als een hoogbegaafde érgens een uitwedstrijd speelt, is het wel in een gemeentehuis (al weer een knap cynische gedachte die de kop opsteekt). Ik ga Willem volgen, in ieder geval op Twitter.

Later keer ik nog gewoon terug naar de Olympus, aan de voet waarvan enkele kinderen uitgeput terneer zitten. Want zelfs hoogbegaafde ADHD-spruiten hebben niet zoveel energie teveel, dat ze het de hele dag uithouden op een springkussen. De meeste tronen hun ouders mee naar huis, en het bezoekersaantal, vanmorgen een kleine 200, begint langzamerhand te tanen.

Ik heb tijdens mijn escapade de workshop ‘Hoe vertel ik het mijn collega’s?’ gemist. Maar dat is helemaal niet erg, want vele lezen deze rubriek, zodat ‘het’ toch niet lang geheim zal blijven. Nog wel doe ik een interessante training over omgaan met conflicten op de werkvloer, kennis die ik vast nog wel eens nodig heb in het ruime tiental jaren dat ik nog moet.

Gelouterd keer ik huiswaarts. En de apocalyps is ook uitgebleven, die we volgens een orthodox-christelijke dominee in de USA vandaag hadden moeten meemaken. Dat vermoedde ik al; terecht heb ik vanmorgen een retourtje genomen.

FHM
26 mei 2011
Er geweest: zaterdag 21 mei 2011



79. IN PLAATS VAN KAARTEN; BIJ DE DOOD VAN EEN KRUIMELDIEF 

I&A in de jaren 90: een slangenkuil…
Afbeelding overgenomen van IBM system 36

Over de doden niets dan de waarheid. Er sterven meer schlemielen dan helden, meer boeven dan braveriken, meer knoeiers dan toppers; waarom zou dat niet gezegd mogen worden?

Als ik terugdenk aan Piet, dan kan ik moeilijk heen om het feit dat ik hem soms een ontstellende zak vond. Ik heb hem ook al dertien jaar niet meer gezien, dus zijn rouwadvertentie bewerkstelligde bij mij niet de neiging om oudtestamentisch mijn klederen aan stukken te rijten en mijn hoofd te bedekken met as.

Toch is het een schok. Hij was  56. Toen ik pakweg 18 was, leek me dat erg oud; 56, dan staat het je ook wel te wachten, zo onderdehand, het onvermijdelijke bezoekje van de Bleke Dood. Maar nu ik zelf al 54 ben…

Piet was ook een ex-collega van mij, net als Daan, wiens in memoriam ik drie maanden geleden schreef. Hij zat ook bij die kaartclub, die elke dag in de lunchpauze bijeenkwam. En hij kon ook niet tegen zijn verlies, dat hij op de winterdag weet aan de laagstaande zon, die door het kantineraam naar binnen scheen, precies in zijn gezicht. Ik val in herhalingen met zulke verhalen, ik weet het, maar dat doet het leven soms, in herhalingen vallen, en de dood al helemaal.

Twee in drie maanden. Misschien is kaarten niet gezond. Zeker niet als je er bij rookt. Piet stak wel vier keer op, gedurende een pauze van drie kwartier; voor de spanning van het kaarten, zoals hij altijd zei. Hij ging dan ook heen aan longkanker, zo hoorde ik een dag later van een oud-collega die me erover opbelde. Maar ik heb al die jaren gratis met hem mee zitten te roken; daar kun je het ook van krijgen.

Over kaarten gesproken: hij vertelde een keer een mop over kaarten. Leest er een vrouw een rouwadvertentie in de krant. ‘Krijg nou wat’, roept ze tegen haar man, ‘Klaas is dood!’ Zegt die man: ‘Hoe kan dat nou, zo ineens? We zouden zaterdag nog met hem gaan kaarten!’ Zegt die vrouw: ‘Ja, dat staat er ook bij: “In plaats van kaarten”’.

Een weinig opzienbarend iemand, verder, Piet. Echt vreselijk onsympathiek was hij niet, in de omgang. Hij was penningmeester van de Personeelsvereniging en won in zijn vrije tijd dartwedstrijden om geld; veel meer wist men niet over hem te vertellen. Hij was begonnen bij dat bedrijf als jongste bediende op de Nacalculatie. Ikzelf begon als zodanig bij Archief en Registratuur. De lijnen van het noodlot brachten ons 15 jaar later samen bij de afdeling I&A (Informatiebeheer & Automatisering, ofwel: Irritant & Arrogant, zoals wel gegniffeld werd in de wandelgangen).

Dat laatste gold zeker voor Piet, die met een heel air door het bedrijf liep, omdat hij zich bezig hield met programmeren, zo niet software development. Hij strooide met computertermen die niemand begreep, en voelde zich een hele piet, een van de hogepriesters van het informatietijdperk. Maar ik wist beter. Ik wist dat hij geen enkel diploma bezat op het gebied van automatisering, erin was gerold omdat het nacalculeren niet helemaal lekker liep, en moest werken onder de strakke leiding van een meer ervaren collega, die hem van uur tot uur vertelde wat hij doen moest.

Toen ik op eigen verzoek werd overgeplaatst naar I&A, gaven ze mij de functie van systeembeheerder, in de hoop dat ik daar snel aan onderdoor zou gaan. Ze voelden een panische angst voor mijn ambities. Ze dachten dat ik uit was op de stoel van Piet, die me behandelde met koel dedain waaraan vrees niet vreemd was. Veronderstel dat ik Piet zou passeren. Wat moesten ze dan met Piet? Weer overplaatsen, maar waarheen nu weer? Hij kón niks, behalve darten.  Ik vertel dit verhaal tegenwoordig nog wel eens aan mijn collega-ambtenaren; die denken namelijk dat zulke figuren in het bedrijfsleven niet voorkomen.

Ik heb het systeembeheren, een onderbetaalde hondenbaan, nog drie jaar volgehouden. Bij externe sollicitatierondes werd ik meestal net tweede of derde. Piet vertrok niet; telefoontjes van headhunters waren nooit voor hem. Ik  vertrok uiteindelijk wel; van ellende ben ik in deeltijd gaan werken bij een gemeente, en Nederlands gaan studeren aan de universiteit.

Een jaar of zeven later hoorde ik dat Piet op staande voet was ontslagen. Al bijna dertig jaar lang bleek hij een dubbel boekhoudsysteem gehanteerd te hebben voor de Personeelsvereniging; je bent calculator of je bent het niet! Al die jaren had hij een gedeelte van de kas doorgesluisd naar zijn eigen zak. Kruimelwerk; meer dan 500 gulden per jaar zal hij er niet uit afgetapt hebben.

Toen ze er eindelijk achterkwamen, vloog hij eruit. Het bericht stemde mij met verbittering. Al die jaren hadden ze een kruimeldief de hand boven het hoofd gehouden; tot nadeel van mij. Hadden ze het maar tien, twaalf jaar eerder ontdekt!

Nu is hij dus dood. Er stond ook een advertentie in de krant van de dartclub, maar niet van een werkgever; hij heeft vermoedelijk nooit meer een nieuwe baan gevonden. Wat verder nog te zeggen over Piet? Niets meer; met zijn dood moet zijn verhaal maar uit zijn.

FHM
10 mei 2011

80. TOEGIFT OP 10 MEI: OORLOGSANEKDOTES

Nu het toch 10 mei is, wil ik je twee oorlogsanekdotes niet onthouden. Hier komen ze (zonder enig verband met het voorafgaande).

Mijn opa was doof. ’s Nachts sliep hij zonder gehoorapparaat. Hij hoorde dus in de nacht van 9 op 10 mei 1940 niet het kanonnengebulder in de verte, dat mijn oma uit de slaap hield. Die ging maar eens schudden aan haar echtgenoot: ‘Henk, Henk, word wakker! Ik hoor kanonnen! Het is oorlog!’ Mijn opa ontwaakte met tegenzin, en vroeg om een herhaling van de zojuist gedane mededeling. ‘Ik hoor de hele nacht al kanonnen!’, brulde mijn oma, ‘Het is oorlog!!’

‘Oh, dat zijn oefeningen’, zei opa, draaide zich behaaglijk om, en sliep tot in de morgen. Mijn moeder gebruikt dat nog wel eens als gevleugeld woord: ‘Het zijn maar oefeningen’.

Een ander oorlogsverhaal vertelt mijn moeder steevast op 8 mei. Op 8 mei 1945 naderden onze bevrijders ook de stad Leiden, waar alles een tikje later gebeurt. Het gerucht verspreidde zich als een vuurtje; ze zouden de stad binnenkomen via de Hoge Rijndijk, zo’n tien minuten lopen van de Zeemanlaan waar mijn moeder woonde. Ze toog dus op weg met mijn oma. Ze zagen de buurvrouw, mevr. Mier, aan het werk in de huiskamer. Tikken op de ramen. ‘Kom mee, de Canadezen komen!’

Maar de buurvrouw antwoordde: ‘Ik kan hier nu niet weg. Het is dinsdag. Dan moet ik de kleden kloppen, de vloer boenen, de meubels borstelen…’.
’Mens’, zei mijn oma, ‘Die meubels lopen niet weg. Die kun je morgen ook nog doen. Maar dit zie je maar één keer in je leven. Kom nou toch mee!’
Maar de buurvrouw liet zich niet vermurwen. Volgens het verhaal van mijn moeder, die er eigenlijk nog steeds niet over uit kan. Als ik lieg, lieg ik in commissie; ik ben er niet bij geweest, want ik was nog niet op de wereld.

FHM
10 mei 2011

PS:

De ongeveer wekelijkse FHM’etjes worden nog even voortgezet, hoewel ik oorspronkelijk van plan was, met Pasen te stoppen met deze rubriek, die oorspronkelijk een winterrubriek was.

FHM



78. ‘VERTRAMBAAR’, OF: DE RIJNGOUWELIJN IS DOOD; LEVE DE RIJNGOUWELIJN!

 

Het nieuwe ROC bij Leiden Lammenschans: uitstekend bereikbaar per OV


Wat een miezertje is Asje van Dijk, de scheidende verkeersgedeputeerde van de Provincie Zuid-Holland! 1,55 meter hoog; ik wist het niet, maar zag hem toevallig een keer in het echt, toen hij op het Stationsplein van Leiden geïnterviewd werd door TV-West. In een flits schoot door mijn hoofd dat ik hem wel omver zou kunnen douwen, voor het oog van de camera. Maar ik zag ervan af, omdat je er misschien een hoop last mee krijgt.

Maar hoe heeft zo’n onderdeurtje zó’n schrikbewind kunnen uitoefenen met zijn RijnGouweLijn (die hij niet eens zelf bedacht heeft)? Gemeenten sidderden voor dit satraapje.

Ik heb er al veel vaker op Internet over geschreven, de afgelopen 25 jaar. De RGL had een doorgaande lightrailverbinding moeten worden tussen Gouda en Katwijk / Noordwijk. Van Gouda tot Leiden Lammenschans had hij moeten rijden over bestaand spoor, en daarna dwars door de binnenstad van Leiden en dwars door de kernen van Kat- en Noordwijk naar zee. Die drie gemeenten wilden hem niet. Maar van Dijk zette zijn ‘doorzettingsmacht’ in om hem aan deze dwarse gemeenten op te dringen.

Ik heb de RGL zelf al die jaren een onding gevonden, een bastaardproduct, te iel voor de spoorbaan en te grof voor stads- en dorpskernen.

De RGL is sinds afgelopen donderdag niet meer. Maar tegelijkertijd is hij dichter bij realisatie dan ooit. Er is in Zuid-Holland een coalitieakkoord gesloten tussen VVD, D66, SP en CDA, een raar allegaartje, een monsterverbond, volgens mij vooral bijeengebracht om enerzijds de PVV en anderzijds de milieumaffia buiten de deur te houden. Van zo’n samenraapsel verwacht je niet veel goeds. Maar op dag één hakten ze de knoop al door over het RGL-plan, dat onze streek al sinds het einde van de jaren 80 teistert.

Tussen Gouda en Leiden Centraal komt de RGL nu op bestaand spoor, in kwartierdienst. Daartoe zal in ieder geval het railtraject Alphen a/d Rijn - Leiden Centraal geheel dubbelsporig uitgevoerd moeten worden, dunkt me. Anders komt er niets van terecht, als er ook nog IC’s Leiden - Utrecht moeten rijden over dat traject. Ik hoop verder dat de nieuwe gedeputeerden zullen kiezen voor light trains zoals de GTW in Zuid-Limburg, en niet voor die slome, gammele rottrammetjes die van 2003 tot 2009 hebben proefgereden op Gouda – Alphen.

De tram door de Leidse binnenstad gaat tot opluchting van vrijwel iedereen niet door. En tussen Leiden Centraal en de kust komt er een ‘vertrambare’ snelbusbaan. Ook een prima idee. Een busbaan kent twee voordelen boven een tram-. Eén: hij is goedkoper (niet veel, maar wel iets). Twee: een bus kan nog doorrijden over een gewone straat, als zijn baan door bezuinigingen plotseling ophoudt, maar een tram zie ik dat nog niet zo 1, 2, 3 doen.

Wel een beetje een domper is het feit dat het bespaarde geld in een autoweg gestoken wordt; de Rijnlandroute die de A4 met de A44 moet verbinden. Maar het schrappen van de tramroute over de Leidse Hooigracht (zie mijn stuk uit de zomer van 2008) heeft tot gevolg dat een ander stuk asfalt niet aangelegd hoeft te worden: de Ringweg Oost, waar eigenlijk toch al niemand zin in had.

Nou, dat is mooi allemaal; als ik het zelf had moeten bedenken, had ik het ook zo ongeveer wel zo gedaan. Na al die jaren heeft het gezond verstand het dan toch nog gewonnen van het prestigedenken.

Tot slot nog een paar woorden van troost voor een paar voorvechters van het nu afgeschoten oorspronkelijke RGL-project.

De genoemde Asje van Dijk vond laatst op de propagandasite van de RGL dat bestuurders over hun eigen schaduw heen moeten durven springen. Hij zal het vast waarderen dat zijn opvolgers dat nu doen over ZIJN nietige schaduw.

Paul van der Heijden, de rector-magnificus van de Leidse Universiteit, ventileerde vorig jaar dat hij zijn laboratoria veel liever met een tram dan met een bus ontsloten zag (in gelinkt FHM’etje nam ik hem op de hak). De provincie zou hem een lol kunnen doen, en die nieuwe hoogwaardige busbaan NIET over het universiteitsterrein laten rijden. Dat spaart weer een paar hectometers infrastructuur uit, en dan zijn de passagiers vanaf Leiden Centraal bovendien twee, drie minuten eerder op het strand.

Het gloednieuwe Leidse Regionaal Opleidings Centrum, waar pro-RGL-leuzen op de bouwschuttingen stonden gekalkt, is straks, behalve met een vloot bussen, ook nog bereikbaar met 12 treinen per uur. Toch geen reden om te mopperen over slechte ontsluiting.

De JA-stemmers bij het Leidse RGL-referendum van 2007, een toch niet verwaarloosbare minderheid van 30%, krijgen nu toch ook hun zin. JA, er komen RGL’s door Leiden te rijden (dat groter is dan zijn grachtengordel). Twee zelfs: een bus en een light train.

Tenslotte Boudewijn Leeuwenburgh, de railfetisjist die door een speling van het grillige noodlot de baas werd van honderden bussen, en die de Wikipedia gehaald heeft als bedenker van de RGL. Ook hij moet blij zijn dat zijn ideeën uiteindelijk toch nog gerealiseerd worden, in plaats van alleen beruzied. Tweederde van het 50 kilometer lange RGL-tracé zal bestaan uit rails, en de rest volgt misschien ooit nog, getuige het mooie, welluidende neologisme ‘vertrambaar’.

Wie er dan nog reden heeft om te treuren over de teloorgang van het oorspronkelijke RGL-plan, ik zou het niet weten. Behalve wellicht de arme donder die de hierboven al gelinkte officiële RGL-site moet herschrijven. Driekwart van de content moet eraf. Maar laat ze voor de zekerheid nog maar een backup bewaren...

FHM
24 april 2011

78A. AANVULLING OP HET RGL-VERHAAL

Die RGL, daar is het laatste woord nog niet over gezegd, al is er eigenlijk al veel te veel over gezegd. Tegenover de opluchting van de gemeenten Leiden, Katwijk en Noordwijk over het schrappen van een trein in hun centrum, staat de minstens even begrijpelijke angst van gemeenten als Zoeterwoude en Rijnwoude (Hazerswoude) dat hun geplande stations niet doorgaan. Het is voor iedereen afwachten, hoe de provincie haar nieuwe plan exact gaat uitwerken.

Spuit elf gaf deze week ook nog modder. De vorig jaar aangetreden ROVER-voorzitter Arriën Kruyt serveerde in een column, ongehinderd door enige dossierkennis, het nieuwe RGL-plan af.

Kruyt haat bussen, hoewel deze per dag in Nederland veel meer OV-reizigers vervoeren dan railvoertuigen doen. ‘Amersfoort’ (de vestigingsplaats van deze zogenaamde belangenvereniging voor reizigers), heeft jarenlang zijn smoel gehouden over de RGL, en de plaatselijke afdeling geen enkele steun gegeven in hun strijd tegen een dom prestigeproject. Nu de provincie eindelijk tot inkeer is gekomen, komt Kruyt met een jankverhaal over de teloorgang van de RGL.

Ik vraag me wel eens af, waar ze die nieuwe voorzitters altijd zo ineens weer vandaan weten te toveren. In mijn tijd (ik diende de vereniging in de jaren 90 als actief lid) kon je pas na een lange mars door de instituties voorzitter worden, na pakweg 5000 uur vergaderen en actievoeren. Je had dan een aardige dossierkennis opgebouwd. Maar als ik de twee meest recente ROVER-voorzitters naast elkaar zet, hoef je tegenwoordig nog maar aan drie eisen te voldoen: gepensioneerd wethouder zijn, van de PvdA zijn en de uitstraling en frisheid hebben van een paasei op Hemelvaartsdag.

Volg de discussie op dit ROVER-forum, dat overigens nog niet de helft trekt van het aantal lezers dat ik mag verwelkomen op mijn site. Eigenlijk ben ik gek dat ik nog woorden vuilmaak aan dit zielige clubje.

Frans Mensonides
28 april 2011



77. WUBBO OCKELS’ SUPERBUS: EEN EEUWIGE BELOFTE

 


Wie kent hem niet, die indertijd besnorde ruimte-oliebol Wubbo Ockels! In 1985 was zijn fysionomie niet weg te branden van de buis en uit de kranten. Het was dan ook niet niks wat hij presteerde: de eerste mens te zijn die met een Nederlands paspoort in de achterzak het wereldruim koos. En nog veilig weer beneden kwam ook; bij de volgende vlucht verging de Spaceshuttle Challenger met man en muis.

Het schijnt dat je nooit meer helemaal de oude wordt na een ruimtevlucht. De thans als natuurkundige en uitvinder werkzame Ockels miste niet zozeer de ruimte, als wel de publiciteit. Hij doet dus nu al 25 jaar zijn best om daar telkens weer in terug te keren, en zet daarbij een machtig middel in: de Superbus die hij, als boegbeeld van de knutseluniversiteit Delft, uitgevonden heeft, of liever: zal gaan uitvinden.

Het ding, dat nog het meest lijkt op een verlengde lijkwagen voor het afvoeren van massaslachtoffers, zal snelheden kunnen halen van 250 km/uur, zal rijden op elektriciteit in plaats van diesel, en dat volgens een geleid systeem over een speciale betonnen rijstrook. Die kan ’s winters niet bevriezen, zodat we dan tenminste verlost zijn van NS’ winterklaarheid.

Andere voordelen van dit bussysteem springen niet erg in het oog. Wat mij vooral treft is de zinloosheid van het uitvinden van een bus die 250 rijdt. We hadden al twee OV-systemen die die snelheid op hun sloffen halen: het vliegtuig en de hogesnelheidstrein, elk met hun eigen, dure, infrastructuur en organisatie. Moeten we daarnaast nog een geldverslindend derde systeem in het leven roepen? Desondanks betaalt ook Connexxion mee aan de Superbus, terwijl ze zich toch beter konden concentreren op foutloze chipkaartapparatuur.

Ockels heeft een jaar of vijf geleden de discussie over de Zuiderzeelijn (Amsterdam – Lelystad – Groningen) danig vertroebeld met zijn nog niet bestaande bus. Men had natuurlijk gewoon moeten kiezen voor een conventionele spoorbaan; die lag er trouwens al tot Lelystad, ongeveer halverwege. Of desnoods voor een magneetzweeftrein; die bestond tenminste echt. Toen kwam Ockels met zijn nog op de tekentafel bivakkerende Superbus. Zijn bemoeienis is er mede debet aan geweest dat de Zuiderzeelijn niet doorging.

Een ander punt: op een Intercity-verbinding worden per uur per richting misschien 2000 passagiers vervoerd; elk kwartier een trein met 500 opvarenden. In Ockels bus kunnen er maar 20; dat komt dus neer op honderd bussen per uur, ofwel één per 36 seconden. Een prettig hoge frequentie. Maar als we in elke bus een chauffeur, om niet te zeggen: een piloot achter het stuur willen hebben, gaan dat wel erg kostbare ritjes worden.

Dat hoeft ook niet, vindt Ockels; als je die bussen automatisch laat rijden, spaar je personeelskosten uit, en kun je de frequentie bovendien opvoeren tot zes seconden. In Delft, daar denken ze te kunnen wat in Eindhoven niet kon. De Phileas (door mij geportretteerd in 2006), die semi-automatisch met 50 km/uur door de Lichtstad had moeten rijden, is een faliekante mislukking. Noem mij een zwartkijker, maar ik twijfel aan die 250 km/uur.

Ockels is behalve natuurkundige ook nog zelfverklaard vervoerskundige. Ons grofmazige Intercity-systeem moet nodig op de schop, vindt hij. Je wilt mensen niet alleen van Amsterdam naar Groningen kunnen vervoeren, maar ook van Diemen naar Hoogkerk-Vierverlaten, om maar eens een dwarsstraat te noemen. Zijn wonderbus haalt de mensen in Diemen op, wacht dan blijkbaar tot zich er 20 hebben aangemeld, en sjeest vervolgens naar Hoogkerk-Vierverlaten, zes seconden achter een andere superbus die misschien op weg is van Almere Haven naar Drachten; een andere dwarsstraat.

Ockels’ Superbus is als een komeet, die zo nu en dan terugkeert in de kranten. Tijdens de discussie over de Zuiderzeelijn schoof hij het ding steeds naar voren, zoals gezegd. In 2008 zou hij hem presenteren tijdens de olympiade in Peking. Dat ging op het laatste moment niet door wegens technische problemen. En nu leurt hij op een of andere beurs in Dubai met een prototype, en meldt ijskoud dat ingebruikname nog eens 10 jaar gaat duren. Handig: met zo’n eeuwige belofte blijf je eeuwig in de publiciteit.

Mijn bezwaar tegen Ockels is niet, dat hij iets nieuws probeert te bedenken. Als we dat nooit gedaan hadden, leefden we nog steeds als holbewoners, en hadden we ook geen TGV gehad. Wat wel ergerlijk is: deze man is een wetenschapper van de koude grond. De ware innovator werkt in alle rust en anonimiteit in een laboratorium, bralt niet over uitvindingen voordat ze gedaan zijn, en droomt hooguit ’s nachts van de Nobelprijs die hij over 25 jaar minzaam glimlachend in ontvangst kan nemen.

Ockels daarentegen doet het volgens mij louter voor de kick van z’n smoelwerk in de krant. Om verbetering van het OV is het hem niet begonnen, en het zal op zijn manier niet lukken ook. Een observatie die ik al vaker heb gedaan: uiteindelijk zijn het de meest enthousiaste vernieuwers die ervoor zorgen dat alles in deze wereld bij het oude blijft.

FHM
13 april 2011

Foro van Wubbo met raket overgenomen van Space.web.nl
Foto Superbus overgenomen van Duurzaam Kantoor




76 ‘DROOM IS WERKELIJKHEID’; NIEUW LEIDEN EN PARK ALLEMANSGEEST

 

Domweg gelukkig in Krimwijk II

Evenals twee weken geleden zondagmiddagwandelde ik door twee nieuwbouwijken in Leiden en omgeving.


Nieuw Leyden

Ik moet voorop stellen dat ik de ballen verstand heb van architectuur en stedenbouwkunde, ondanks dat ik het met de paplepel ingegeven heb gekregen. Als klein jongetje keek ik mijn opa gefascineerd op de vingers als hij achter zijn tekenbord nieuwe huizen zat te ontwerpen. De gedachte: dat zou ik zelf ook willen kunnen, is echter nooit bij me opgekomen.

Opa schold regelmatig op welstandscommissies. Maar als ik een paar straatjes bewandel in Nieuw Leyden, een kleine in aanbouw zijnde woonwijk in Leiden Noord, snap ik waarom dergelijke architectenplagen ooit zijn ingesteld. Deze wijk is gedeeltelijk ‘welstandvrij’. Ontwerp je eigen huis! Stoute architectonische dromen worden hier werkelijkheid, van mensen die evenmin als ik kijk hebben op woningbouw. En wat een raar ratjetoe levert dat op! Alle huizen staan hier te vloeken bij de belendende percelen. Ben ik in Leiden of Rommeldam?

Nu viel er in dit buurtje niet veel te verpesten, nog minder dan in Valkenburg. Op de plek van Nieuw Leyden stond in mijn jonge jaren een uitgestrekte gasfabriek met een cilindrische, vele decameters hoge gashouder als dieptepunt van lelijkheid. In de schaduw daarvan lagen smalle straatjes waar de zon niet wilde schijnen, met rijtjes wrakke huizen, vol arme drommels die hun r-klanken vervaarlijker lieten rollen dan welke Leidenaars ook.

Alles beter dan dat. Die gashouder is ergens in de jaren 90 gesloopt; de grond is gezuiverd van gif. Hopelijk kunnen de genoemde arme donders de huur van de huidige huizen betalen. Maar gek, dat ze sommige straten in Nieuw Leyden dan juist weer op die oude, sombere rotstraatjes laten lijken, met die donkerbruine oudbouw.

Die naam, Nieuw Leyden, met die ouderwetse spelling, geeft de verscheurdheid van architecten in dit era wel weer; de worsteling tussen oud en nieuw. Er is niet veel veranderd sinds de tijd van mijn grootvader. Hij behoorde een jaar of 80 geleden tot de avant-garde; Nieuwe Zakelijkheid: een nieuwe vormentaal voor een nieuwe tijd, met strakke lijnen en elementaire kleuren. Niets moest hij hebben van traditionalisten als Kropholler, over wie ik het laatst had, die nieuwe gebouwen produceerden die er oud uitzagen.

Dat doen ze tegenwoordig nog steeds, al staan hier ook staaltjes van moderne bouw, en hebben ze enkele overblijfselen van dat gasfabriekscomplex aardig in de wijk kunnen integreren. Maar ik blijf hier kijken met de ogen van mijn opa, en heb misschien toch niet voor niks over zijn schouders meegekeken, indertijd.

 


Park Allemansgeest, Voorschoten

De bus brengt me in een minuut of twintig bij het laatste project van dit reeksje. Dat heet Krimwijk II in de nuchtere stadshuistaal van het Voorschotense raadhuis, maar Park Allemansgeest op de wervende website en op de billboards. Allemansgeest is de naam van deze polder, en tevens van een deftig etablissement aan de Vliet (zie mijn stadsrandwandeling van 2005). De wijk ligt ingeklemd tussen de Krimkade, de Vliet en de ijsbaan.

‘Droom is werkelijkheid’, vindt een reclamebord aan de rand van de wijk. ‘Appartementen voor 55-plussers’, gilt een oude juffrouw enthousiast, die hier met haar vriendin langsfietst, ‘zo oud bén ik. Daar kom ik voor in aanmerking!’ Ik zelf mag me binnen zeer afzienbare tijd ook 55-plusser noemen, maar bij mij bewerkstelligt dat feit geen overgrote vreugde.

Het handelsmerk van deze ruim opgezette, waterrijke wijk is: de kromme, gebogen, eventueel Jugendstil-achtige lijn. Je ziet hem terug in de 10-hoge torenflatjes langs de Vliet, de villa’s elders en zelfs in een botenloods langs een kanaaltje. Met zo’n concept, zulke eenheid-in-verscheidenheid, bereik je toch een rustiger en aangenamer beeld dan dat gerommel dat ik daarnet in Leyden Noord zag.

En in Krimwijk II hadden de bouwmeesters een goede smoes voorhanden om de boel te laten lijken op een wijk uit 1930: de huizen moesten harmoniëren met die van Krimwijk I, die er al een jaar of 80 staan. Maar zelfs daarbij kun je nog origineel zijn. Dat ene erkertje daar bijvoorbeeld ziet er nogal futuristisch uit: eerder uit 2030 dan 1930.

Terwijl ik hier rondloop, bemerk ik dat er iets bijzonders aan de hand is in Park Allemansgeest. De mensen die ik zie, kijken allemaal zoals ze bij andere nieuwbouwwijken alleen kijken in de folder; zo – ik aarzel het woord neer te schrijven – gelukkig.

Die twee jongetjes die zo hartstochtelijk voetballen op het landje langs de Vliet. Zij zullen terugverlangen naar dit partijtje, morgen als ze in de klas zitten, en in 2089, als ze herinneringen ophalen aan hun jeugd. De grijsaard op de hoek schoffelt zo gelukzalig in zijn nieuwe tuintje, dat ik een hofdicht in mijn keel voel opwellen. Een broertje van 5 mountainbiket fanatiek over een hoog bruggetje, terwijl zijn zusje van 7 boven haar fietsstuur met verzaligde blik staat te genieten van de bloemenpracht in een tuin. Een ander meisje mept een tennisbal naar haar vader, die vanmiddag tijd heeft voor quality time. Een jong echtpaar zit liefderijk voor hun woning, met de baby, en denkt op deze mooie middag maar even niet aan de torenhoge hypotheeklasten.

Het heeft niets te maken met die Jugenstilkrul, niets met architectuur volgens mij. Het heeft te maken met vaag omlijnde zaken die niet in het vuistdikke Vademecum der bouwvakken stonden dat bij opa op de tekentafel lag; met sfeer, met ambiance. Aan mijn eigen stemming ligt het ook niet; vandaag zie ik even weinig aanleiding tot euforie als anders.

Deze wijk hééft het gewoon. Het paradijs ligt op loopafstand. Met die troostrijke gedachte keer ik terug naar mijn eigen straatje.

FHM
6 april 2011
er geweest: zondag 27 maart 2011

 


© Frans Mensonides, Leiden, 2011


<< naar thuispagina Frans Mensonides