Hieronder mijn werkstuk Voor God, oranje en de eer. Adriaan van der Hoop en de Belgische Opstand, geschreven in het kader van de casus-cursus Romantiek / Adriaan van der Hoop van de afdeling Moderne Nederlandse Letterkunde van de Universiteit Utrecht. Dit is het verslag van amper 3 weken intensief lezen, studeren en schrijven, in grondige tijdnood; tevens mijn lievelingswerkstuk van 5 jaar deeltijdstudie Nederlandse Taal en Cultuur.

 

Een deadline geeft vleugels; ik werd een navolger van Adriaan van der Hoop zelf, die ook verschrikkelijk snel en zeer geïnspireerd kon schrijven. Immer zat hij ten tijde van de Belgische Opstand de actualiteit op de hielen, maar uiteindelijk werd hij er toch door ingehaald. Het leidde tot een - in mijn 21ste eeuwse ogen – pure tragikomedie, die ik met plezier heb gereconstrueerd en geboekstaafd.

 

Het was alleen al de moeite waard om een gedicht als Aan den generaal Chassé aan de vergetelheid te ontrukken. Hoogstwaarschijnlijk is het in de hele 20ste eeuw door geen enkele (aspirant)neerlandicus gelezen. Volkomen ten onrechte dat het in het vergeetboek is geraakt: het is ongetwijfeld één van de meest tenenkrommende gedichten uit de literatuurgeschiedenis – nogmaals: in onze 21ste eeuwse ogen. Van der Hoop ontpopt zich als een geestverwant van minister Remkes, die geen bezwaar heeft tegen rampen, als hij er maar niet héén hoeft.

 

Tot slot: mocht er binnenkort opnieuw een opstand uitbreken in een uithoek van dit koninkrijk, dan zal ik me zeker niet melden als student-soldaat. Ik doe als Adriaan van der Hoop, d.w.z.: ik laat verstek gaan wegens drukke werkzaamheden, beleef het thuis mee via de media, en denk er het mijne van.

 

Frans Mensonides

januari 2005

 

Contact: framenso@casema.nl

 

 

 

 

VOOR GOD, ORANJE EN DE EER

 

Adriaan van der Hoop en de Belgische Opstand

 

 

 

 

© Frans Mensonides, 2004

 

 

 

 

 

De morgenwektrompet schalt bij dat uchtendgloren;

De doffe klank der trom laat zich in ’t ronde hooren;

Het heir ontwaakt, verrijst, grijpt sabel en geweer,

En gaat op nieuws ten kamp voor God, Oranje en de eer.

 

De tiendaagsche veldtocht, p. 26.

 

 

 

De koele twijfelaar kan het werk van den dichter niet beoordelen.

 

Een woord aan het publiek, over mijn Danklied, God met ons, p. 15.

 

 

 

 

Inhoud

 

1       Inleiding                             

2       De Belgische Opstand                                                                                    

3       ‘Te wapen, Vorstenrei!’ - Aan de vorsten van Europa

4       ‘Met vriend en vijand in de lucht’ - De Kanonneerboot

5       ‘Door bloed en bekkeneelen’ - De Tiendaagsche veldtocht                           

6       ‘Het moordziek Britsche rot’ - God met ons en Een woord aan het publiek                   

7       k Ben met de bajonet gereed’ - Aan het kasteel van Antwerpen en Aan den generaal Chassé

8       De nationalistische opvattingen van Adriaan van der Hoop

9       Vroeg 19e eeuws nationalisme; Van der Hoop en zijn tijdgenoten    

10     Na de Belgische Opstand

         Literatuurlijst                               

 

1       Inleiding

 

In de literatuurhistorie mag de Rotterdamse koopman-dichter Adriaan van der Hoop, jr. (1802-1841) vooral bekend staan als een van de weinige Nederlandse romantici[1]; zijn tijdgenoten zagen hem in de eerste plaats als vertolker van nationalistische gevoelens. Ook Van der Hoop zelf achtte het vaderland een van zijn belangrijkste inspiratiebronnen. Dat zou opgemaakt kunnen worden uit wat hij in 1831 schreef in het vuur van het enthousiasme over luitenant van Speyks heldendaad (waarop ik later uitgebreid zal terugkomen):

 

God dank! dat ik voor ’t Vaderland

Mijn geestdrift voel ten top gedreven;

En dat ik wat er in mij brandt,

In maatgezangen lucht kan geven:

God dank! hoe arm aan rust en vreugd,

Onze eeuw is rijk aan heldendeugd! [2]

 

De kanonneerboot (p. 6, herhaald op p. 13).

 

Zeven jaar later spreekt Van der Hoop in het poëticale gedicht Dichtgave nogmaals zijn voorkeur uit voor vaderlandslievende stof; hij noemt een aantal zaken die ‘zijn schoonheidszin voeden’, en begint met de trits God(sdienst), vaderland en koning, die in zijn werk, zoals we zullen zien, een belangrijke rol speelt.

 

Godsdienst, Vaderland en Koning,

Vriendschap, echt- en kindermin,

Stille vreugde in eigen woning,

Voeden ’t meest mijn schoonheidszin,

En een lied, hun ter bekrooning,

Heeft voor my een hemel in. [3]

 

Dichtgave

 

 

Aan het eind van de jaren 20 bestreed Van der Hoop gerenommeerde en populaire nationalistische dichters, zoals Tollens, in literaire bladen als Argus, Apollo, De Nederlandsche Mercurius en De vriend der waarheid; tijdschriftjes die geen tweede jaargang haalden. Amper tien jaren later werd hij, onder andere in De Gids, zelf verguisd door een generatie van jonge schrijvers. Daartussenin beleefde hij een korte periode van succes, die samenviel met de meest cruciale jaren in de Belgische Opstand. Van der Hoop was een van de toonaangevende figuren onder de duizenden dichters, (toneel)schrijvers, essayisten en rijmelaars die zich tegen de opstandige Belgen keerden.

 

Aan het begin van de Belgische Opstand, in de zomer van 1830, had Van der Hoop juist zijn debuutbundel Poezy gepubliceerd. In de eerste drie jaren van de Opstand verschenen van zijn hand bijna 20 dichtwerken, waarvan het merendeel de strijd in België tot onderwerp had.[4] Binnen het beperkte bestek van dit werkstuk is het onmogelijk, ze alle uitgebreid te behandelen. Ik heb een keuze gemaakt, en ben daarbij blindgevaren op zijn kunstbroeder, vriend, bewonderaar en biograaf F.H. Greb. In Van der Hoop’s necrologie noemt Greb zes dichtwerken die hem bijzonder hebben getroffen.[5]

 

Aan de hand van die gedichten zal ik de lezer door de Belgische Opstand loodsen. Vervolgens zal ik uit deze werken de nationalistische opvattingen van Van der Hoop destilleren en die vergelijken met die van zijn tijdgenoten en voorgangers. Alvorens daartoe over te gaan, eerst echter iets over de Belgische Opstand, die zo’n belangrijke rol heeft gespeeld in het leven en de werken van Adriaan van der Hoop.

 

 

 

2       De Belgische Opstand

 

De Belgische Opstand is ongetwijfeld een van de minst bekende oorlogen uit de vaderlandse geschiedenis – althans dat zou ik kunnen opmaken uit een korte enquête onder familieleden, vrienden en collega’s. Daarom een kort overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen.[6]

 

Als in 1815 een einde komt aan het Napoleontische tijdperk, worden Vlaanderen, Wallonië en Luxemburg toegewezen aan het Koninkrijk der Nederlanden, zodat deze staat een sterke buffer kan vormen tegen Frankrijk. In de zuidelijke provincies ontstaat onder katholieken en Franstaligen al snel onvrede over de godsdienst- en taalpolitiek van koning Willem I. Daar komt bij dat het zuiden veel armer is dan het noorden; er heerst werkloosheid en, na een mislukte oogst, zelfs hongersnood. In de loop van de jaren groeit het verzet tegen Willem I.

 

In 1830 trekt een golf van opstanden en revoluties door Europa. Het begint in Frankrijk, waar in juli koning Karel X wordt afgezet. Op 25 augustus slaat ook in Brussel de vlam in de pan. Aanleiding is de opera La muette de Portici, over de volksopstand van 1647 in Napels. Toehoorders verlaten tijdens de voorstelling massaal de schouwburg en slaan aan het plunderen en vernielen.

 

Wekenlang houden de onlusten aan. Willem I aarzelt lang met militair ingrijpen; pas op 23 september laat hij zijn leger oprukken naar Brussel. Inmiddels hebben de opstandelingen hun troepen gemobiliseerd en georganiseerd. Het Nederlandse leger lijdt na een veldtocht van vier dagen een smadelijke nederlaag bij Vilvoorde, even buiten Brussel.

 

In Oud-Nederland, zoals het noorden van het land genoemd wordt, heersen onder menig vaderlander grote woede en diepe verbittering over de opstand tegen de geliefde en bewonderde koning. Studenten formeren in allerijl militante genootschappen, en ruilen de collegebanken tijdelijk in voor het slagveld. Minstens evenveel thuisblijvers nemen de pen ter hand om de ondankbare Belgen in versmaat mores te leren. Er ontstaat een hausse in nationalistische literatuur.

 

Op het slagveld moet Oud-Nederland buigen voor de opstandige zuiderlingen. Op 26 oktober 1830 geeft het Nederlandse leger Antwerpen prijs; het wordt teruggedreven in de grote citadel ten zuiden van de stad. Daarvandaan voert generaal Chassé de dag daarop een zwaar vergeldingsbombardement uit op de stad. Het vermag weinig indruk te maken op de opstandelingen; twee weken later vallen ze Nederland binnen en veroveren Venlo.

 

In Antwerpen valt op 5 februari 1831 de meest tot de verbeelding sprekende gebeurtenis uit de Belgische Opstand te noteren, hoewel het feit strategisch gezien van geen enkel belang is. In een storm raakt kanonneerboot nr. 2, onder bevel van luitenant Jan van Speyk, aan lager wal en loopt vast op de kade van de Schelde. Het schip wordt bestormd door Belgische opstandelingen die de Nederlandse driekleur in handen proberen te krijgen. Van Speyk voorkomt deze in zijn ogen diepe vernedering, door het schip op te blazen. Samen met tientallen opvarenden en opstandelingen verliest hij het leven.

 

Inmiddels wordt Willem I bij de internationale vredesonderhandelingen in Londen geprest, akkoord te gaan met een afscheiding van België. Nederland krijgt weinig internationale steun; het machtsevenwicht in Europa is wankel, en geen van de grote mogendheden wil zich om de Belgische kwestie een oorlog op de hals halen.

 

Op 21 juli 1831 wordt Leopold van Saksen Coburg ingehuldigd als koning van België. Kort daarna onderneemt het Nederlandse leger een groot offensief onder leiding van kroonprins Willem, de oudste zoon van Willem I. Deze operatie, die bekend is komen te staan onder de naam “Tiendaagse Veldtocht”, kent een zeer voorspoedige start; Nederland boekt overwinningen bij Hasselt en Leuven. Op 12 augustus wordt de opmars van de prins echter gestuit door het leger van de in Nederland nog steeds diep gehate Fransen.

 

Door de Franse overmacht ziet Willem I zich gedwongen, vrijwel al zijn troepen terug te trekken uit België. Alleen Chassé houdt nog tot eind 1832 stand in Antwerpen. Op 23 december van dat jaar moet hij de citadel overgeven, na een wekenlange beschieting door de Franse generaal Gérard.

 

Willem I weigert vervolgens jaar-in-jaar-uit, afstand te doen van zijn aanspraken op de zuidelijke Nederlanden. Er ontstaat een militaire patstelling, met grote legermachten aan weerszijden van de grens. De langdurige mobilisatie put de Nederlandse schatkist uit tot op de bodem. Willems populariteit is sterk tanende.

 

In 1839 geeft de vorst eindelijk toe. Hij slaagt er nog in, een gedeelte van Limburg en van Luxemburg binnen het koninkrijk te houden. Vlaanderen en Wallonië vormen vanaf dat jaar het zelfstandige koninkrijk België.

 

 

 

3       ‘Te wapen, Vorstenrei!’

Aan de vorsten van Europa

 

Aan de Vorsten van Europa[7] is het eerste in een lange reeks geschriften die Adriaan van der Hoop heeft gewijd aan de Belgische Opstand. Het is geschreven in de woede en angst die veel vaderlanders in die dagen gevoeld hebben: na de bedreigende opstand in België werd Nederland door zijn machtige buurlanden in de steek gelaten.

 

Van der Hoop draagt zijn schotschrift op aan de ‘dichtrenvorst’ Bilderdijk, die het jaren geleden al heeft zien aankomen: Nederland zou het slachtoffer worden van opstand en bloedvergieten. Vanzelfsprekend werd er niet naar hem geluisterd.

 

In Aan de vorsten van Europa zet Van der Hoop de toon voor de rest van zijn nationalistische oeuvre. Hij betoogt dat de oproerlingen door de duivel gezonden zijn; rechtvaardige vorsten moeten met hulp van God de orde herstellen.

 

Die vlam [van de opstand], met zorg gevoed, opdat zij blake en slope

Breekt al verdelgend uit en dreigt geheel Europe.

[…]

Te wapen, Vorstenrei! Die helsche vlam verdreven!

[…]

En weêr in ’t oorlogsveld voor orde, recht en GOD.

(p. 9)

 

In de Napoleontische tijd is Europa gezwicht voor rechteloosheid en vrijheidsberoving. Uiteindelijk hebben de geallieerden de overwinning behaald door ingrijpen van God: het leger van Napoleon werd in Rusland door de winterkou overvallen, en moest zich terugtrekken. Uit Napoleons nederlaag in Rusland putten de vorsten van Europa de kracht om, met Gods hulp, de Fransen na een bittere strijd te verslaan. Maar nu, in 1830, heerst er in Europa opstand alom,

        

         En werkloos ziet gij ’t aan, ô Vorsten! ach vermetel,

           Bespeurt gij ’t onweer niet, noch ’t wagglen van uw zetel!

           Ontwaakt, vóór ’t is te laat! – reeds naakt de noodorkaan,

           Licht* morgen klinkt uw kreet: help Hemel! wij vergaan!    Licht: wellicht; allicht

                                                                             (p. 14)

 

Van der Hoop praat zichzelf vervolgens moed in, zoals vele Nederlanders in die herfstdagen van 1830 gedaan moeten hebben. Nederland heeft de hulp van Europa’s vorsten helemaal niet nodig; het land heeft voldoende aan Gods gunst, mits het zich als één man opstelt achter de koning,

        

         Wiens edel, Neêrlands hart onwrikbaar strekt ter woning

           Aan Godsdienst, Waarheid, Recht, en liefde voor den grond,

           Waar D’EERSTEN WILLEM ’t lood eens helschen dweepers vond.

                                                                                              (p. 15)

 

De Oranjes hebben Nederland door de eeuwen heen behoed, vanaf de dagen van Willem de Zwijger, die stierf door moordenaarshand. Koning Willem zal ook nu, gesteund door God, de rechten van Oud-Holland beschermen; staatsverbonden en volksverdragen ten spijt, die toch maar geschonden worden door ‘ ’t woest en toomloos graauw’ (p. 16).

 

In de tweede druk van Aan de vorsten van Europa voegt Van der Hoop nog een hoofdstuk van 8 pagina’s toe, onder de titel 1831, aan de 16 die de oorspronkelijke uitgave telde. Ook in andere staten van het continent broeit onheil, zo stelt Van der Hoop in 1831. Nogmaals roept de dichter de vorsten op, terug te keren tot God, en op te treden als ‘onrechtwrekers’ tegen het ‘Helaanbiddend rot’ (p. 19). De eer van de vorsten staat op het spel.

 

         En wisch voor eeuwig af den lang verdienden blaam,

           Als spandet gij met hel en Vorstenmoordren saam.

                                                                             (p. 22)

 

Het geschrift eindigt met een bede tot God:

 

Stort den Geest van Recht en Waarheid op Europaas Vorsten uit;

Dan wordt de afgrond* in zijn lagen*, ’t oproer in zijn woên gestuit;                afgrond: kwaad; lagen: listen

Dat zal ’t zaalge Vrede wezen, en gebogen in het stof,

Stemt Europa zegeliedren, U vrijmachtig God ten lof!

                                                                    (p. 24)

 

In de ogen van Van der Hoop bestaat er een nauwe band tussen God en de vorst; beiden staan aan dezelfde kant in de strijd voor een veilige, ordelijke en rechtvaardige wereld.

 

 

 

4       ‘Met vriend en vijand in de lucht’

De Kanonneerboot

 

Zijn eerste geschriften over de Belgische Opstand hebben Van der Hoop een zekere roem bezorgd. Het verschijnen van De kanonneerboot. Vaderlandsche romance[8] ging gepaard met een ware volksoploop bij boekhandel A.F.H. Smit in Rotterdam[9]; een Harry Potterhype avant la lettre!

 

De kanonneerboot handelt over dé gebeurtenis in die roerige tijden: de zelfopoffering van luitenant van Speyk, die zijn schip liever opblies dan de Nederlandse driekleur in handen van de Belgische opstandelingen te laten vallen. De opbrengst van het gedicht was bestemd voor de Nederlandse weduwen en wezen die achterbleven na Van Speyks zelfmoordactie.

 

Van der Hoop spreekt in zijn voorwoord van ‘heldhaftige zelfopoffering’; De kanonneerboot is geschreven om hulde te brengen aan vaderlandse heldenmoed. Geheel overeenkomstig zijn poëticale opvattingen dankt hij God voor inspiratie.

 

Nooit heb ik God vuriger gedankt, dat Hij aan mij de hemelgaaf der Dichtkunst verleende, dan toen ik in de nieuwsbladen de opgave vond van die daad, de bloem der helden van alle eeuwen en volken waardig. In tranen wegsmelten, in geestdrift ontvlammen en de volgende Romance dichten, was het werk van eenige ogenblikken.      

                                                                                     (p. 3 - 4)

 

Van der Hoop overdrijft zijn tempo van dichten nauwelijks. De kanonneerboot, bestaande uit 32 strofen van 6 regels, is gedateerd op 10 februari 1831. De bron die Van der Hoop gebruikt heeft, is hoogstwaarschijnlijk een artikel uit de Staatscourant van 9 februari, met een verslag van commandant Koopman, Van Speyks superieur, en een van generaal Chassé. Van der Hoop volgt de loop der gebeurtenissen uit die verslagen op de voet, en heeft vele details daaruit opgenomen in zijn romance. De Rotterdamsche Courant van een dag eerder had het gebeurde in Antwerpen ook gemeld, maar in een klein berichtje dat weinig bijzonderheden bevatte.

Reeds op 9 februari, dus op de verschijningsdag van het bronartikel, heeft de dichter met boekhandelaar Smit overleg gepleegd over het gedicht (dat toen in concept al gereed was?). Dat valt op te maken uit de advertentie die Smit diezelfde dag heeft opgegeven aan de Rotterdamsche Courant. In deze advertentie, 3 dagen later in de krant afgedrukt, kondigt hij de spoedige publicatie aan van De kanonneerboot.

 

Van der Hoop was één van de eersten in een lange rij heldendichters die Van Speyk bezongen hebben. Van Zonneveld stelt in zijn artikel De Belgische Opstand en de Nederlandse literatuur[10], dat De kanonneerboot representatief is voor al die heldenpoëzie; het bevat vrijwel alle motieven die ook worden aangetroffen bij de vele navolgers. Van die motieven noemt hij alleen het teruggrijpen op heldendaden ter zee, bedreven door mannen als De Ruyter en Tromp. Maar er is meer op te merken over dit gedicht.

 

Het meest opvallend is de tekening van de twee strijdende partijen; die is zo zwart-wit als maar mogelijk is. De Belgen die het vastgelopen schip bestormen, worden afgeschilderd als ‘roovers’ met ‘snoode zielen’; ‘schuim’ en ‘graauw’, dat nader komt met ‘tierend moordgekrijsch’ en ‘roofgeschrei’ (p. 8 en p. 9). Vergelijk dat met de houding van de goedige Hollanders,

 

Die in de woestaards broeders zien,

Gereed om broedren hulp te biên.

                                                   (p. 9)

 

De welwillendheid van de Nederlandse militairen slaat om in ontzetting, als zij doorkrijgen dat de men niet uit is op een homp brood of iets dergelijks. De menigte, ‘als gieren […, m]aar neen, in bloeddorst eindloos wreeder’, heeft het op de Nederlandse driekleur gemunt!

 

Dat is te veel voor ’t Hollandsch hart,

Voor God, Oranje en de eer bewogen.

                                                            (p. 9)

 

Van Speyk laat een deel van zijn manschappen van boord gaan in een sloep; volgens het artikel in de Staatscourant bevinden zich onder hen de vier opvarenden die de ramp zullen overleven. Vervolgens begeeft hij zich als bij impuls naar het ‘kruidvertrek’. Hoe hij het kruit tot ontploffing heeft gebracht, weet Van der Hoop evenmin als Koopman en Chassé; hij laat het onvermeld.

 

De Belgen willen het vuur openen en de ‘Brabantsche vaan’ hijsen.

 

         Maar, vóór ’t gebroed die vreugde smaakt,

           Dáár vlamt het achter, voor en onder

           Met bliksemvuur! dáár barst en kraakt

           Een Hecla* los: dáár brult de donder!              Hecla: vulkaan

           Dáár spat de boot met helsch gerucht,

           Met vriend en vijand in de lucht!

                                                   (p. 11)

 

Na de klap niets dan ontreddering en verwarring; de opstandelingen op de kade slaan op de vlucht,

 

           Maar ’t grootste deel van ’t heilloos rot                     rot: horde

           En ’t opperhoofd dier beulenscharen,

           Deelt met den Held het stervenslot,

           En is verbrijzeld heengevaren:

           Hij voer naar ’t zalig hemelrijk:

           Zij naar des Satans jammerwijk.

                                                   ( p. 12)

 

God aan de zijde van het Vaderland; de duivel aan de andere: als de zaken er zo voorstaan, moet elke schending van de nationale eer, al gaat het maar om een vlag, met nietsontziende heldenmoed gewroken worden; dat is de kern van De kanonneerboot. De lezer anno 2004, met de dagelijkse TV-beelden voor ogen van aanslagen door godsdienstfundamentalisten en zelfmoordcommando’s, zal zich misschien afvragen of in 1831 niemand vraagtekens geplaatst heeft bij Van Speyks heldendaad. Van Zonneveld heeft zich die vraag ook gesteld, maar hij heeft nauwelijks voorbeelden gevonden van kritische geluiden. In een doodenkele preek van een dominee, en in wat schampere opmerkingen van een cynische man-in-de-straat, zou wat tegengas gegeven zijn. Ook dreven veel literaire critici de spot met de talloze onbeholpen Van Speyk-gedichten die van de persen rolden.[11]

 

Van Speyks daad heeft lang nagedreund in de literatuur. Vrijwel elke dichter die na februari 1831 de Belgische Opstand bezingt, komt terug op de heldendaad van de luitenant, en ook Van der Hoop zal hem in vrijwel elk volgend gedicht wel even aanstippen. [12]

 

 

 

5       ‘Door bloed en bekkeneelen

De Tiendaagsche veldtocht

 

Naast de door Van Speyk veroorzaakte explosie heeft ook de Tiendaagse Veldtocht veel bijgedragen aan het herstel van het geschonden Hollandse zelfvertrouwen. Van der Hoop’s De Tiendaagsche Veldtocht. Zegekroon, den prins van Oranje en zijne dapperen aangeboden[13] mag beschouwd worden als het opus magnum van zijn oeuvre over de Belgische Opstand. Het 40 pagina’s tellende dichtwerk werd al voltooid op 30 augustus 1831, amper twee weken nadat de Nederlandse opmars gestuit was door de Fransen. Nog hetzelfde jaar beleefde het een derde druk, in het naschrift waarvan de dichter het succes bescheiden toeschrijft ‘meer aan het onderwerp dan aan de behandeling’ (p. 41).

 

In deze derde druk heeft Van der Hoop het verhaal uitgebreid met enkele bijzonderheden, hem verstrekt door een eerste luitenant die de slag heeft meegemaakt. Dat Van der Hoop advies van een militair heeft ingewonnen, betekent nog niet dat De tiendaagsche veldtocht een objectieve, realistische weergave bevat van de gebeurtenissen. De lezer beleeft een gestileerde, geïdealiseerde veldslag vol symboliek, vol lyriek, met bijna evenveel natuurbeschrijvingen als krijgstaferelen, en met opnieuw een opvallende zwart-wittekening van vriend en vijand.

 

De tiendaagsche veldtocht bestaat, naast een opdracht aan legerleider prins Willem jr., uit drie delen: Voorzang, De Veldtocht en Zegelied. Aan het begin van De veldtocht (p. 14-32) roept de dichter in de lezer de geluiden wakker waarmee de opmars van het leger gepaard gaat:

 

           In ’t suizend lindenwoud, op de onafzienbre hei

           Van Brabands grenzen klinkt de schelle krijgsschalmei;

           Het schettren der trompet, de doffe dreun der trommen,

           En ’t staalrinkinken der gesloten ruiterdrommen[…].

           De toon des hoorens doet der jaagren boezem blaken;

           Het strijdros hinnikt fier; de korenvelden kraken,

           Door ’t plettrend wicht gekneusd van wagens en kanon;

           ’t Oranje vaandel, dat bij Waterloo verwon,

           Ontplooit zich wapprend bij het schaatrend krijgslied zingen[…].

                                                                                              (p. 16-17)

 

Hier gaat iets groots en verhevens verricht worden; zoveel is de lezer nu al duidelijk. Na de traditionele opsomming van vaderlandse helden(daden) in ver en recent verleden: de geuzen, Waterloo, Chassé, en nu ook Van Speyk, volgt een even dreigende als beeldende vergelijking:

 

           Gelijk bij zomerdag zich onder ’t zonnegloeien,

           Bij ’t graanveld stoven, en ’t eikenloofverschroeien,

           Aan ’t maatloos firmament, waaraan geen wolkjen zweeft,

           Een ondoordringbaar kleed van zwarten nevlen weeft;

           Zoo pakt aan Hollands grens, een drift van onweerswolken,

           Zich onheilspellend saam, tot straf van Brabands Volken.

                                                                                     (p. 17)

 

Als de strijd gestreden is, treffen we een vergelijkbare passage aan:

 

           Gelijk in ’t voorjaarsweêr, wanneer het buiig Noord,

           Door sneeuw en hageljacht de hoop des landmans stoort,

           Een witte dosch soms ’t groen verhult der korenvelden,

           Werd Leuvens berg bedekt door Brabands trotsche helden[…].

                                                                                     (p. 31)

 

Daartussenin is veel gebeurd. Vanzelfsprekend gedragen de Nederlanders zich onder leiding van kroonprins Willem, die al bij Waterloo van de partij was, hoogst dapper. De laffe daden van de Belgen, waaronder de aanval op het zwakke Venlo (p. 23), geven aanleiding tot hoongelach:

 

           Vergeefsch, vergeefsch! wèl roept hun Vorst te wapen;

           Hun Leopold, hun Koning van één dag;

           Vergeefsch, vergeefsch, de legioenen slapen […].

                                                                    (p. 20)

 

Bovendien zijn zij ondankbaar: ‘Eens heeft hij [Willem, jr.] voor uw grond zijn dierbaar bloed vergoten’ (p. 19). Verder zal de dichter de Belgen nooit vergeven, dat zij het Franse leger te hulp hebben geroepen om de opmars van Willem te stuiten. Op minstens vijf plaatsen in De tiendaagsche veldtocht worden de Belgen daarom bespot; ongeveer even vaak wordt, evenals in Aan de vorsten van Europa, de zwakte van de grote mogendheden belachelijk gemaakt.

 

Op de morgen van de beslissende slag om Leuven breekt de zon door de ochtendmist. De soldaten zien dit als een voorteken:

 

           Die zon in mist gehuld is hem [de soldaat] een heilger teeken;

Zij maant hem aan Gods macht, onwankelbaar en groot,                           maant…aan: herinnert…aan

           Die ’t onrecht haat en straft, die uit der Schelfzee* schoot,                      Schelfzee: Rode zee

           Voor ’t heir van Israël een rookzuil* op doet hevelen,                               *vgl. Exodus 13:21 en 14:24

           Om ’t oog van Memphis Vorst* en ruitren te overnevelen,                      Memphis vorst: de farao

           DIE GOD IS MET ONS, roept hij uit, in d’uchtenddamp,

           Bereidt Zijn arm ons zege, en ’s vijands leger ramp.

                                                                             (p. 27)

 

Het nationalisme van Van der Hoop neemt hier oudtestamentische vormen aan. Hij vergelijkt de tiendaagse veldtocht met de uittocht van de Joden uit Egypte. Nederlanders vormen, evenals de Joden, een uitverkoren volk[14]. De ‘God van Nederland’, onze verbondsgod, zal het land de overwinning bezorgen, zolang wij hem op gepaste wijze dienen. Dat de Belgen de abdij van Leuven heel oneerbiedig ingericht hebben als militair hoofdkwartier (p. 29-30), is een veeg teken. Leopold zit er te dromen van de zege; vergeefs.

 

Bij de beschrijving van de slag laat Van der Hoop het licht van de schijnwerpers volop vallen op de kroonprins en zijn jongere broer Frederik, die zich even moedig als gracieus over het slagveld bewegen. Zijn aan Nederlandse zijde niet veel meer slachtoffers te betreuren dan het strijdros van de kroonprins; de Belgen laten ‘heuvelen van lijken achter op het slagveld, en hun paarden draven op de vlucht ‘ledenplettrend […] door bloed en bekkeneelen [=schedels] (p. 32). Het bloedige, roemloze einde van de Belgische soldaten in De veldtocht contrasteert sterk met de poëtische, “filmische” beschrijving van het Nederlandse leger in het begin; zo sterk als Goed en Kwaad maar kunnen contrasteren.

 

De tiendaagsche veldtocht eindigt met een Zegelied waarin God gedankt wordt voor de overwinning – die een Pyrrusoverwinning was; Van der Hoop verzwijgt hier, dat de Fransen uiteindelijk aan het langste eind trokken. Desondanks geeft hij aan het slot van het Zegelied blijk van doorbrekend politiek realisme. Hij hoopt op spoedige vrede, zodat handel en zeevaart kunnen opbloeien, en lijkt, al zegt hij het niet met zoveel woorden, toch te verwachten dat België niet binnen het Koninkrijk der Nederlanden gehouden kan worden.

 

 

 

6       ‘Het moordziek Britsche rot’

God met ons en Een woord aan het publiek

 

Eind oktober 1831 stoomt een Engelse vloot op naar de kust van Zeeland. De Britten hebben deze vloot ter beschikking gesteld aan de conferentie van grote mogendheden die zich in Londen buigt over de Belgische opstand, en zich heeft uitgesproken voor een separatie. De conferentie vreest, dat Nederland en België opnieuw slaags zullen raken. Maar de vloot kan weinig uitrichten: als op 1 november een noodweer uitbreekt, aanvaarden de Engelse schepen overhaast de terugtocht.[15]

 

Deze gebeurtenis inspireert Adriaan van der Hoop tot een gedicht met de titel God met ons. Danklied, bij het vernemen der tijding van het ontwijken der Engelsche vloot, aan Hollands kust[16].

 

Het ‘God met ons’ uit die lange titel doet al geen enkele twijfel bestaan over de nationalistische opvattingen van Van der Hoop. Verder komen in dit korte dichtwerkje van 66 regels, verdeeld over 11 strofen, al zijn bekende thema’s weer aan de orde: ‘Neêrlands God’ die ons een baken is; eerdere heldendaden uit de Engelse Oorlogen in de Gouden Eeuw; het ‘heldenzwaard’ dat de Hollanders moeten heffen voor ‘Willems recht’; van Speyk als toonbeeld van heldenmoed, en – ik heb er nog niet eerder op gewezen – de talloze vergelijkingen van Hollands leeuw met andere vertegenwoordigers van het dierenrijk. In God met ons heeft de leeuw af te rekenen met twee andere katachtige roofdieren:

 

         Als ’t luipaard, tuk op bloed en buit,

           Zond weêr de Brit zijn scheepsmagt uit,

           Naar Zeelands vruchtbre streken;

           Om even onbeschaamd als snood,

           D’in trouwbeproefden bondgenoot,

Den hartaar aftesteeken*.                                                         *De doodssteek toe te brengen

 

[…]

 

Maar is het vreemde tijgrenbroed

De schatting* waard van ’t leeuwenbloed,                schatting: prijs, offer

In ’t perk der eer gevloten?                                          

                                                   (p. 4)

 

God zelf roept de Engelse vloot een halt toe:

 

           Hij spreekt: de stormwind is ontboeid;

           Het losgebroken Noorden loeit,

           En doet de golven koken:

           De donder knalt; de bliksem schiet:

           God spreekt: tot hier en verder niet!

           En – Holland is gewroken.

                                                   (p. 6)

 

Deze keer heeft Van der Hoop naast enthousiasme, ook kritiek ontmoet met zijn nationalistisch dichtwerk, althans zo schrijft hij kort daarop in Een woord aan het publiek, over mijn Danklied, God met ons[17]. Dit prozawerk is gedateerd 30 november 1831, 22 dagen na God met ons. Vele lezers zouden hem hebben aangesproken op onder andere de volgende passage uit God met ons over onze (voormalige) bondgenoten:

 

Sla ’t oog omhoog, vertrouw op God!

           Hij acht het moordziek Britsche rot,

           Als droppels in den emmer;

           Als ’t nietig stofjen op de schaal:

           Hij is de God der zegepraal;

           Der Volken strafbestemmer!

                                                   (p. 5)

 

Critici noemen de harde taal die Van der Hoop gebruikt heeft, niet alleen onverstandig, maar ook onvoorzichtig. In Nederland verblijvende Britten zouden zich aan weinig vleiende kwalificaties als ‘moordziek rot’ kunnen ergeren.

 

Heeft Van der Hoop een diplomatieke rel veroorzaakt? In de kranten van die dagen heb ik er niets over kunnen terugvinden. In Een woord aan het publiek, dat ruim drie keer zo veel pagina’s telt als God met ons zelf, probeert de dichter de zaak te sussen: dergelijke negatieve uitlatingen gelden natuurlijk niet voor het gehele Britse volk, dat niet alleen vele krijgshelden heeft voorgebracht, maar ook eminente kunstenaars en wetenschappers.

 

Echt verzoenend is de toon van Een woord aan het publiek niet. Van der Hoop pookt het vuurtje opnieuw op, door op bitse, sarcastische toon euveldaden van de Britten in het verleden te hekelen, en hun anti-Hollandse houding bij de internationale conferentie te laken.

 

De volgende passage, tegen het einde van Een woord aan het publiek, zegt veel over de poëticale opvattingen van Van der Hoop:

 

Wat nu hen aanbelangt [=betreft], die uit de hoogte op een dichtstukjen nederzien, hetwelk de zichtbare hand Gods huldigt; en dat wel omdat zij niet gaarne aan onmiddellijke tusschenkomsten gelooven: ik acht het onnoodig om met hen in strijd te treden. De poëtische zin ontbreekt bij hen evenzeer als de godsdienstige, en uit dien hoofde ook alle grond tot zedelijke overtuiging. De koele twijfelaar kan het werk van den dichter niet beoordelen. Deze taak is alleen die van den kunstkenner en den vriend der poëzij: deze is onpartijdig, vergeeft de zanger, die naar de indruk van het ogenblik zijn lier bespeelt en rekent hem [niet] tot eene zonde toe dat hij nu zijne verontwaardiging over Engeland licht geeft[…].             

                                                                                     (p. 15)

                

 

God is in de opvattingen van Van der Hoop zowel behoeder van zijn uitverkoren volk, als inspiratiebron van alle dichters. Nationalistische poëzie is daarmee als het ware dubbel gesanctioneerd door God, en daardoor schier onaantastbaar door criticasters.

 

 

 

7       ‘‘k Ben met de bajonet gereed’

Aan het kasteel van Antwerpen en Aan den generaal Chassé

 

De laatste twee gedichten van Van der Hoop uit de reeks over de Belgische Opstand zijn geschreven in de nadagen van 1832. Sedert eind november van dat jaar wordt de citadel van Antwerpen, het laatste bolwerk van Nederland in België, omsingeld gehouden en beschoten door Franse troepen onder leiding van generaal Gérard. Enkele duizenden Nederlandse soldaten hebben zich verschanst in de gigantische, in 1568 op last van landvoogd Alva gebouwde fortificatie, en zitten als ratten in de val. In het fort heersen infectieziekten en is er gebrek aan voedsel en water. Bij het onophoudelijke kanonnenvuur over en weer vallen aan beide zijden honderden doden en gewonden.[18]

 

Medio november 1832 zweefde Van der Hoop in Aan het kasteel van Antwerpen[19] al tussen hoop en vrees over het lot van de citadel en zijn bewoners. Zou het fort (als persoon toegesproken door de dichter) ten onder gaan aan het ‘oproerkroost’, verpletterd worden door de Fransen, of zou het de stad Antwerpen verwoesten? In dit gedicht heerst een dreigende stilte-voor-de-storm. De Hollanders zullen overwinnen, of tot en met de laatste man ten onder gaan, net als de bemanning van de kanonneerboot.

 

           Want als de nood het hoogste klimt,

           En ieder vlammend tegengrimt,

           Dan daalt uit hooger lucht en sfeer

           VAN SPEYK, als wrekende engel neêr,

           En roept in ’t uiterst ogenblik:

           >Mijn Landgenooten, sterft als IK!”

           En ’t antwoord is een donderknal,

           Die gansch Europa schokken zal,

           En luid doen tuigen bij ’t gesteent’,

           Dat zoo veel helden-asch vereent:

           De moed, die Holland krachten biedt,

           Heeft in ’t Heelal zijn weêrga niet!

                                                            (p. 6)

 

Als de hel uiteindelijk losbreekt, is Van der Hoop, actueel als altijd, er snel bij met een nieuw gedicht. In Aan den generaal Chassé,[20] gedateerd 15 december 1832, blijkt de aangesprokene opgenomen te zijn in de rij van nationale helden:

 

ô Grijze krijgsheld, Mavors zoon;                     Mavors: de oorlogsgod Mars

ô Steunzuil van Oranjes throon;

ô Lichtbaak in den oorlogsnood,

Wat zijt gij in mijn oogen groot!

                                                   (p. 2)                

 

Van der Hoop geeft het publiek nog eenmaal het volle pond van zijn krijgsretoriek. Maar het is in dit geval de retoriek van de thuisblijver. De ‘ik’ in dit gedicht kan helaas zelf niet meedoen, voorbestemd als hij is voor andere besognes. Maar wat zou hij er graag bij geweest zijn, in dat fort!

 

Ach wist gij, wat mijn boezem lijdt,

           Dat ik niet bij uw vendels strijd,

           Maar dat Gods wil, die alles wikt,

           Me een andren werkkring heeft beschikt,

           Die mij, wiens bloed zoo hevig gloeit,

           Aan ’t vreedzaam koopmansleven boeit;

           Ofschoon de klank der krijgstrompet

           Mijn geestdrift meer in vlammen zet,

           Dan ’t hart van menig kloek soldaat

           Voor ’t vreeslijk schoon van ’t slagveld slaat.

                                                            (p. 3)

 

Van de vroege ochtend tot de late avond zit hij op kantoor te dagdromen over alle heldendaden die hij in de citadel zou verrichten. In zijn slaap droomt hij verder:

 

           Dáár davert bij den solfergloor*                       solfergloor: de gloed van de kruitexplosies   

           Het sein ten aanval mij in ’t oor!

           ‘k Leg rustig op mijn vijand aan,

           Beweeg de veer; daar vlamt de haan!

           De kogel dringt de drommen in,

           En Holland telt een vijand min.

           Nu wordt het in de loopgraaf heet:

           ‘k Ben met de bajonet gereed.

           ‘k Vel ieder, die mijn blik ontmoet.

           Ik baad mij in ’t vijandelijk bloed,

           En roep met luid triomfgeschreeuw:

           >Zoo strijdt Oud-Hollands fiere leeuw!

           >Zoo kampt hij voor Oranjes zaak!”

           Ik ween en lach en …… ik ontwaak!

                                                   (p. 4–5)

        

Blijkbaar heeft Van der Hoop niet deelgenomen aan een van de vele georganiseerde uitstapjes naar Antwerpen, waar je het spektakel kon gadeslaan vanuit zolderkamers, verhuurd door Antwerpenaren met vrij uitzicht op het zuiden. Hij kent de situatie slechts uit krantenberichten. De beschrijving van de slag is opnieuw volkomen onrealistisch; het is maar zeer de vraag, of je met een bajonet veel kunt uitrichten tegen 90.000 Fransen die in drie weken tijd 64.000 kanonskogels afvuren op je stelling.

 

Aan de vooravond van kerstmis geeft Chassé de zwaar beschadigde citadel over, waarmee een eind komt aan 2,5 jaar strijd. Geen heroïsche zelfopoffering deze keer; de generaal heeft van Willem I opdracht gekregen, nodeloos bloedvergieten te voorkomen. Niet iedereen zal deze afloop met Van der Hoop betreurd hebben.

 

 

 

8       De nationalistische opvattingen van Adriaan Van der Hoop

 

God, Oranje en eer zijn de drie vaste ingrediënten van Van der Hoop’s dichtwerken over de Belgische opstand, en ook van later nationalistisch werk. Ik zal deze elementen alledrie kort de revue laten passeren.

 

God

 

De God in Van der Hoop’s nationalistische poëzie is een oudtestamentische wrekende God, die het uitverkoren volk voorgaat in de strijd, en de vijanden van dat volk geselt. Die vijanden worden altijd zo negatief mogelijk afgeschilderd; zij zijn niet meer dan afgezanten van de duivel.

 

De ‘God van Nederland’ doet zijn macht doorgaans kennen via de voorzienigheid; juist op een moment dat de nood het hoogst is, grijpt hij in, meestal door de vijand te treffen met ongunstige weersomstandigheden.

 

Van der Hoop plaatst zich met zijn Godsbeeld in een traditie van wat Kloek en Mijnhardt ‘de mythe […] van het Tweede Israël’ noemen: Nederland, omringd door vijanden, weet toch te overwinnen, dank zij God, en dank zij de vorst, die, als een oudtestamentische richter, middelaar is tussen God en het volk.[21] Greb zegt, dat Van der Hoop, in de traditie van de door hem bewonderde Bilderdijk, in de ‘Koningen en Vorsten nog Stedehouders van God op aarde zag’.[22]

 

 

 

Oranje

 

Naast middelaar is de vorst, i.c. Oranje, ook de bewaker van “law and order”. Hij verdedigt waarden als vrijheid, waarheid en recht. De vorst in Bij het graf van Willem den eersten[23] weet tijdens de beeldenstorm de volkswoede te sublimeren en te richten op een hoger doel: de bevrijding van Nederland.

 

De vorst staat altijd in een eeuwenlange traditie. In de poëzie van Van der Hoop over de Belgische Opstand wordt steevast gerefereerd aan Willem de Zwijger. Maar in Bij het graf van Willem den eersten blijkt deze oervorst zelf ook slechts de laatste schakel te zijn in een onafzienbare keten van dappere voorzaten die zich hebben ingezet voor de bevrijding van Holland.[24]

 

De vijand weet tegenover Oranje slechts doortrapte schoften en lafbekken in het strijdperk te brengen; vergelijk de beschrijving van de Britse diplomaten in Een woord aan het publiek en die van Alva in Bij het graf van Willem den eersten.

 

De voorbeeldfunctie die de vorst heeft in Van der Hoop’s poëzie, kan overgenomen worden door dappere lieden die niet van koninklijken bloede zijn. De dichter grijpt vrijwel altijd terug op nationale volkshelden als de Leidse burgemeester Van der Werf, admiraal De Ruyter en, na diens zelfopoffering in 1831, ook op Van Speyk.

 

 

        

Eer

 

Dapperheid, onverschrokkenheid en opofferingsgezindheid voor het vaderland; dat zijn de kenmerken van de helden die opereren in Van der Hoop’s vaderlandse poëzie. “Liever dood dan slaaf” is hun lijfspreuk. Tegenstanders van Holland zijn inslecht en laaghartig, en hebben geen gunstiger toekomstverwachting dan een eeuwig verblijf in de hel.

 

De veldslagen van Van der Hoop zijn sterk geïdealiseerd en onrealistisch; zijn slagveld is het strijdperk van een symbolische oorlog tussen goed en kwaad.

 

De nationalistische poëzie van Van der Hoop is kortom: oorlogspoëzie. Zij komt voort uit de benarde situatie waarin het vaderland verkeerde in 1830; het is het soort taal dat overal en altijd opklinkt waar oorlog heerst, en waar mensen leven in angst en haat voor hun buurvolkeren.

 

Uit het artikel van Van Zonneveld rijst een vergelijkbaar beeld op van de gehele literatuur over de Belgische Opstand[25], al speelt in zijn betoog het godsdienstige aspect geen hoofdrol. Van der Hoop kon in deze stroom van werken uitgroeien tot trendsetter en voortrekker, doordat hij haarfijn aanvoelde wat er in die bange dagen leefde in Oud-Nederland.

 

 

 

9       Vroeg 19e eeuws nationalisme; Van der Hoop en zijn tijdgenoten

 

In dit slothoofdstuk zal ik het nationalisme van Van der Hoop vergelijken met dat van de generatie dichters die vóór hem kwam, en waartegen hij zich vóór de Belgische Opstand sterk heeft afgezet in bladen als Argus.

 

Het Nederlands nationalisme uit de vroege 19e eeuw is een smeltkroes van ideeën, ontstaan in een verwarrende tijd met snelle veranderingen. In de periode vóór de Franse Revolutie was het verpauperde Nederland al geen oord meer om trots op te zijn. De Gouden Eeuw was nu wel zeer definitief voorbij; er heerste armoede, achteruitgang en diepe apathie. De Franse bezetting beroofde Nederland vervolgens van het laatste restje zelfrespect.[26]

 

Helmers verwoordde in 1812 in Hollandse natie de woede die velen voelden over de bezetting. In dit werk, dat niet ongeschonden door de Franse censuur kwam, kant hij zich echter ook sterk tegen de apathie en de verpaupering die Nederland voor de Franse tijd al getroffen hadden.

 

Helmers legt de nadruk op het grootse verleden van Nederland; niet uit nostalgie, maar vooral om zijn landgenoten te stimuleren tot nieuwe grootse daden in de toekomst. Behalve aan zee- en landhelden besteed hij ook ruime aandacht aan prestaties van Holland op het gebied van ontdekkingsreizen, wetenschappen en kunst. [27]

 

Door de snelle omwentelingen in de periode 1795-1815 verschoven begrippen als nationalisme en patriottisme van betekenis. In die twee decennia heeft de Nederlander de laatste stadhouder, de zwakke, aarzelende Willem V, zien vluchten; hij heeft de republiek horen uitroepen; hij heeft de niet veel krachtiger koning Lodewijk Napoleon de troon zien bestijgen; hij heeft Nederland ingelijfd zien worden bij Frankrijk. Na Waterloo werd België bij Nederland gevoegd, en moest de Nederlander zijn positie bepalen tegenover de voorheen niet erg geliefde Vlamingen en Walen, die hij nu ineens als landgenoten moest beschouwen. [28]

 

Er waren ook andere ontwikkelingen, die hun oorsprong vonden in de 18e eeuw. Van Eijnatten constateert, dat de verhoudingen tussen staat en burger in de loop van de 18e eeuw verzakelijkten. Het land was meer gecentraliseerd dan vroeger; de afstand tussen burger en gezag was toegenomen. In die hardere, grotere, zakelijker wereld hadden de onderdanen behoefte aan een nieuw nationaal symbool dat hun vaderland personificeerde. De daadkrachtige, populaire koning Willem kon daardoor in korte tijd uitgroeien tot vader des vaderlands. [29]

 

Die nieuwe situatie vroeg verder om een herdefiniëring van het begrip ‘vaderlandsliefde’. Naast dominees speelden dichters hierbij een belangrijke rol. Er ontstond een stroming navolgers van de tijdens de bezetting overleden Helmers.[30]

 

De belangrijkste exponent van deze stroming werd Tollens. Auteurs als Adriaan van der Hoop, Jan Wap en andere Bilderdijk-aanhangers verzetten zich heftig tegen de poëzie van Tollens en zijn adepten.[31] Wat stoorde Van der Hoop nu precies in de Tollensianen? En wat stelde hij er zelf tegenover in het tijdperk van de Belgische Opstand?

 

In de eerste plaats hekelde hij de retoriek, het ‘woordgehuil’ en het gerijmel van Tollens c.s. Nu, als het om retoriek ging, kon ook Van der Hoop er wat van, zoals we gezien hebben. Maar, zoals gezegd: het was krijgsretoriek. Vanuit dat oogpunt zijn de verschillen tussen Van der Hoop en zijn voorgangers begrijpelijk.

 

In het wereldbeeld van Tollens speelden het gezin, het huis en de haard de hoofdrollen. Haantjes ziet drie concentrische cirkels in het werk van Tollens: het gezinsleven, de liefde tot het vaderland en het geloof in God.[32] De samenleving was een gezin in het groot; koning Willem daarvan de vader, en God de Oppervader.

 

Voor Van der Hoop echter, is ‘De God van Nederland’ een oorlogsgod, die voorop gaat in de strijd, en zich in Oranje een trouwe strijdmakker weet. Huiselijkheid treffen wij zelden aan in zijn poëzie van die dagen. Een enkele keer wordt gerefereerd aan de oorlogsslachtoffers en hun bedroefde nabestaanden[33], maar die slachtoffers dienen toch vooral als voorbeeld van deugd voor hen die nog leven.

 

Het nationale verleden speelt bij Van der Hoop slechts een rol voor zover het oorlogs- en heldendaden betreft; over handel, kunst en wetenschap horen we hem zelden. Heel even klinken deze aspecten door in het Zegelied dat De tiendaagsche veldtocht besluit.

 

Ook een glanzende toekomst houdt hem niet bezig; eerst moet afgerekend worden met de bedreigingen in het hier en nu: aanvallen van Belgen, Fransen en Engelsen en de zwakte van Europa’s vorsten.

 

Overigens schijnt in die jaren wapenstilstand geheerst te hebben tussen Van der Hoop en Tollens; de laatste schreef ook over de Belgische Opstand, en Van der Hoop citeert hem enkele malen met instemming. Bijvoorbeeld in God met ons, dat een motto meekreeg uit het werk van Tollens: ‘Gij zaagt dOnzigtbre menigmalen / In wondren tot u nederdalen’. In Een woord aan het publiek (p. 14) zegt Van der Hoop verder ‘den geliefden volkszanger Tollens’ na: ‘Een wareldburger ben ik niet’.

 

 

 

10     Na de Belgische Opstand

 

Nadat het laatste schot bij de citadel was afgevuurd, raakte de strijd tegen de Belgen in het slop, en daarmee ook de poëzie daarover. Er is nu eenmaal weinig heroïsch aan militairen die jarenlang in een tentenkamp verblijven, zonder nog een kogel af te vuren in de richting van de vijand.

 

Ook Van der Hoop moest op zoek naar andere nationalistische stof, en vond dat in de vaderlandse geschiedenis. Op 30 april 1833, ruim vier maanden na de overgave van Chassé, voltooide hij zijn lange dichtwerk Leyden ontzet in 1574[34]. Het hield een zwaai in van 180 graden; in dit werk ligt Van der Hoop’s sympathie bij de opstandelingen die in verzet komen tegen de Spaanse vorst. Van der Hoop draagt Leyden ontzet op aan Willem I, met een oproep om stand te houden in moeilijke tijden.

 

De God Wiens arm voor Leyden heeft gestreden,

Verkeert ook thands de nacht in uchtendschijn.

Hij zal, wie snood ons recht in ’t stof wil treden,

Het volk ten Burcht, en U ten Beuklaar zijn.                          Beuklaar: schild

                                                            (p. XIV)

 

Van der Hoop’s gedachten waren nog in België. Ook uit de volgende passage uit de inleiding van Leyden ontzet blijkt dat voor hem de strijd om de zuidelijke Nederlanden nog lang niet gestreden was:

 

Ik vlei mijzelven, dat mijn arbeid, (hoe eenvoudig en onvolledig die zij,) uit een vaderlandsch oogpunt beschouwd, niet zal geacht worden als geheel ontoepasselijk te zijn op de dagen, die wij beleven; dagen, waarin geheel Nederland geroepen is, om even pal te staan, onder de aanvoering van den besten en braafsten Koning, tegen de aanmatigingen van overmacht en geweld, als Leyden in 1574 tegen de huurlingen van Spanje, toen Willem van Oranje, de Vader des vaderlands, zich onder den Goddelijken zegen, de zaak aantrok van een verdrukt volk.

 

In de jaren daarna blijft Van der Hoop veel gedichten wijden aan Oranje en aan de oude heldendaden van de Nederlanders. Maar hij lijkt niet te beseffen dat het tij gekeerd is. Het laatste geldt ook voor de door Van der Hoop nog geadoreerde vorst; deze is in de publieke opinie verworden van een oorlogsheld tot een stijfkop die het land in armoede dompelt.

 

Koopmans, die zich zeer kritisch uitlaat over het oeuvre van Van der Hoop, stelt vast dat hij nationalistische, antirevolutionaire poëzie bleef schrijven in een land dat zich inmiddels ‘uit de windselen van zelfgenoegzaamheid [ontpopt had]’.[35] Ook bij het toonaangevende nieuwe tijdschrift De Gids raakten patriottistische werken, met hun clichématige retoriek, al snel uit de gratie.[36]

 

Na de roem tijdens de eerste jaren van de Belgische Opstand brengt Van der Hoop zijn laatste levensjaren door in verbittering over onbegrip en over zijn verguizing door de critici. Wel vereert de koning de dichter alsnog met de ridderorde, die volgens zijn biograaf Greb al in 1832 op zijn borst had moeten prijken.[37]

 

Na de dood wachtte Adriaan Van der Hoop, jr. slechts de vergetelheid; het is weinig dichters gegeven, in het collectief bewustzijn van de natie voort te leven als Speykiaanse held.

 

Frans Mensonides

maart 2004

 

Deze pagina is voor het laatst gewijzigd op 28 juni 2004

 

 

 

Literatuurlijst

 

 

Aarsbergen, A., e.a., Kroniek van Nederland. Amsterdam 1987.

 

Berg, W. van den, ‘Verbeelding van het vaderland. Het denken over het vaderland in de letterkunde van de eerste decennia van de negentiende eeuw.’ in: N.C.F. van Sas, e.a., Vaderland : een geschiedenis van de vijftiende eeuw tot 1940. Amsterdam 1999. Nederlandse begripsgeschiedenis.

 

Boer, M. de, Van Speyk, een winter-fantazy. Utrecht 2004.

http://www2.let.uu.nl/Solis/nederlands/mod-ltk/romantiek2/verkenning/MdBoer%20-%20Van%20Speyk.pdf [28 maart 2004]

 

Eijnatten, J. van, ‘Oranje en Nederland zijn één. Orangisme in de negentiende eeuw.’ In: De Negentiende Eeuw (23) 1999, p. 4-22.

 

Greb, F.H., ‘Ter Nagedachtenis van Adriaan van der Hoop, Jr.’ In: Lente en herfst. Verspreide en nagelaten dichtlooveren. Rotterdam 1842. p. II - XXIII.

 

Haantjes, J., ‘Lof van Holland. Vaderlandse dichtkunst in en na de Franse tijd.’ In: J. Haantjes en W.A.P. Smit, Panorama der Nederlandse letteren. Amsterdam 1948. p. 274-293.

 

Hoop, A. van der, Aan de vorsten van Europa; Dichtstuk. 2e dr. Rotterdam 1831.

 

Hoop, A. van der, De kanonneerboot; vaderlandse romance. Rotterdam 1831.

 

Hoop, A. van der, De Tiendaagsche Veldtocht. Zegekroon, den prins van Oranje en zijne dapperen aangeboden. 3e dr. Rotterdam 1831.

 

Hoop, A. van der, God met ons. Danklied, bij het vernemen der tijding van het ontwijken der Engelsche vloot, aan Hollands kust. Rotterdam 1831.

 

Hoop, A. van der, Een woord aan het publiek, over mijn Danklied, God met ons. Rotterdam 1831.

 

Hoop, A. van der, Aan het kasteel van Antwerpen. 2e dr. Rotterdam 1832.

 

Hoop, A. van der, Aan den generaal Chassé. Rotterdam 1832.

 

Hoop, A. van der, Leyden ontzet in 1574: dichterlijk verhaal. Amsterdam 1833.

 

Hoop, A. van der, ‘Dichtgave.’ In: Lente en herfst. Verspreide en nagelaten dichtlooveren. Rotterdam 1842. p. 195-197.

 

Hoop, A. van der, ‘By het graf van Willem den Eerste. Fantazy’. In: Gedichten. Leiden 1859-1860. Dl. 2, p. 99-112.

 

Hoop, A. van der, ‘Van Speyk. Eene winter-fantazy.’ In: Gedichten. Leiden 1859-1860. Dl. 2, p. 47-91.

 

Kloek, J., en W. Mijnhardt, 1800. Blauwdrukken voor een samenleving. Amsterdam 2001. Nederlandse cultuur in Europese context.

 

Kloek, J.J., ’16 december 1812: HelmersDe Hollandse natie passeert de de Franse censuur – Een groot verleden voor de boeg.’ In: M.A. Schenkeveld-van der Dussen [red.], Nederlandse Literatuur, een geschiedenis. 2e druk. Amsterdam-Antwerpen 1998, p. 419-425.

 

Koopmans, J., Letterkundige studiën over de negentiende eeuw. Amsterdam 1931. p. 198-243.

 

Mathijsen, M., ’2 augustus 1828: Johannes Nierstrasz wordt ten grave gedragen – De botsing van twee  typisch negentiende-eeuwse literatuuropvattingen.’ In: M.A. Schenkeveld-van der Dussen [red.], Nederlandse Literatuur, een geschiedenis. 2e druk. Amsterdam-Antwerpen 1998, p. 426-431.

 

Mensonides, F.H., De dichter - Leyden ontzet in 1574 - Vergankelijkheid - Bij het graf van Willem den Eerste. Utrecht 2004. 

http://www2.let.uu.nl/Solis/nederlands/mod-ltk/romantiek2/verkenning/Mensonides%20-%20Dichter.pdf [19 maart 2004]

 

Nieuwenhuys, R., ‘Een vergeten romantikus’. In: De Nieuwe Taalgids 26 (1932), p. 273-289.

 

Smedt, M. de, ’25 augustus 1830: In Brussel breken rellen uit bij de opvoering van ‘La Muerte de Portici’, een opera over de Napelse opstand – Belgische opstand en Vlaamse beweging.’ In: M.A. Schenkeveld-van der Dussen [red.], Nederlandse Literatuur, een geschiedenis. 2e druk. Amsterdam-Antwerpen 1998, p. 431-437.

 

Uijterschout, I.L., Beknopt overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen uit de Nederlandsche krijgsgeschiedenis van 1568 tot heden. Den Haag 1935. p. 435-456.

http://www.korving.demon.nl/geschiedenis/citadel.html [26 maart 2004] 

 

Zonneveld, P. van, ‘De Belgische Opstand en de Nederlandse literatuur.’ In: De Negentiende Eeuw (5) 1981, p. 200-212.



[1] Zie onder andere Nieuwenhuys (1932), die aan het nationalistische aspect in Van der Hoop’s oeuvre nauwelijks aandacht besteedt.

[2] Van der Hoop (1831a)

[3] Van der Hoop (1842: 197)

[4] Ontleend aan ‘Lijst der werken’ in Van der Hoop (1842: 264-269)

[5] Greb (1842: X)

[6] Ontleend aan: Aarsbergen (1987: 672-675, 677, 685 en 687), De Smedt (1998: 431-433) en Zonneveld (1981).

[7] Van der Hoop (1831a)

[8] Van der Hoop (1831b)

[9] Greb (1842: X)

[10] Van Zonneveld (1981: 207)

[11] Van Zonneveld (1981: 208 en 212)

[12] In 1839 zal Van der Hoop nog terugkomen op Van Speyk, nl. in Van Speyk, eene winter-fantazy. Zie De Boer (2004)

[13] Van der Hoop (1831c)

[14] Dit beeld komt ook naar voren uit Leyden ontzet in 1574 en Bij het graf van Willem den Eersten; zie mijn ‘verkenning’; Mensonides (2004: 4-7 en 10-12)

[15] Artikelen in de Rotterdamsche Courant van 22 oktober en 1, 5 en 8 november 1831

[16] Van der Hoop (1831d)

[17] Van der Hoop (1831e)

[18] Voor een gedetailleerde beschrijving van de slag om de citadel, zie Uijterschout (1935)

[19] Van der Hoop (1832a)

[20] Van der Hoop (1832b)

[21] Kloek en Mijnhardt (2001: 216-217)

[22] Greb (1842: XI)

[23] Van der Hoop (1859-1860a)

[24] Zie de namenlijst in mijn ‘verkenning’, Mensonides (2004: 11-12)

[25] Van Zonneveld (1981: 202)

[26] Kloek (1998: 422)

[27] Kloek (1998), Kloek en Mijnhart (2001: 236-237), Haantjes (1948, 275-277)

[28] Mathijsen (1998: 428)

[29] Van Eijnatten (1999:6-9)

[30] Mathijsen (1998: 428)

[31] Mathijsen (1998)

[32] Haantjes (1948: 282)

[33] Bijvoorbeeld in De tiendaagsche veldtocht, p. 25

[34] Van der Hoop (1833)

[35] Koopmans (1931: 216)

[36] Van den Berg (1999: 309)

[37] Greb (1842: X)