De digitale reiziger (44a):
Een eerste mei (1): Bad Bentheim

 


Een zonnig eerste mei-reisje, heen en weer naar Bad Bentheim. Dat ligt over de grens, toch dichtbij en is een plaats met de geur van avontuur. Dat is het vooral dank zij de trein die je er brengt: die mooie internationale trein van Deutsche Bahn.

Een lezer gaf me de tip: slechts een NS-dagkaart plus een aanvullend retourtje vanaf de grens, voor een paar euro. Maar hij gaf me tevens de tip, de eerstvolgende trein terug te nemen: een verblijf van slechts 1,5 uur, want veel zou er niet te zien zijn in Bad Bentheim.

Het werden er nog 3,5. Op de terugweg ging ik even langs bij een curieuze busbaan in Hengelo en bij twee wijlen weduwen in Deventer. Ik bracht voldoende stof mee terug (of liever: foto’s en teksten, allesbehalve stoffig) voor een dubbele aflevering. Dit is deel 1.

 

 

Bad Bentheim ligt 22 kilometer ten oosten van Hengelo, en een kleine 10 kilometer over de grens.

Het is befaamd om zijn zwavelbaden, waarin je je voor het heil van je lijf kunt onderdompelen, als je niet kunt wachten op de hel, waar je dat goedje ook zult inademen. Zo’n bad ben ik niet van plan te nemen. Wel heb ik op Internet een bezichtigingswaardige burcht gezien, waarin die van Leiden met gemak zou kunnen onderduiken, zonder dat iemand het zou zien. Die wil ik wel bezoeken; dat red ik niet in 1,5 uur.

Vanuit Nederland kom je er met de Intercity Schiphol - Berlijn. Een trein met de geur van avontuur - zei ik dat net al niet? - zeker die van 10:49 uit Schiphol, die helemaal doorrijdt naar het Poolse Szczecin en daar ergens vroeg in de avond aankomt. Maar ook een trein waarmee je bijvoorbeeld gewoon van Almelo naar Hengelo kunt reizen. Je hoeft niet te reserveren (al kan het wel) en betaalt geen toeslag.

Toen we er in 2001 mee naar Berlijn gingen, reed hij vier keer per dag, en verstoorde hij de dienstregeling in Nederland danig. Nu rijdt hij in strakke tweeuursdienst, en tussen Schiphol en Hengelo als gewone IC, in plaats van de Koploper. De gemeente Bad Bentheim, met zijn slechts 15.000 inwoners, kan erop bogen, per spoor verbonden te zijn met twee hoofdsteden. Het nog veel kleinere Duivendrecht kan dat overigens ook; ook daar stopt deze bijzondere IC. Ik ben om 8:26 vetrokken van Leiden Lammenschans en hoop hem in Amersfoort op te pikken. Hem missen kost je 120 minuten…

Deze morgen is zoiets als een morning after, na ‘Apeldoorn’, gisteren. Het leek op een symbolische film, eerder dan een registratie van de realiteit. Die nachtzwarte auto, die plotseling opdook en dood en verderf kwam zaaien onder de bezoekers van wat een bruisend volksfeest was; de fatale botsing met de Gedenknaald. Die Gedenknaald, eenvoudigweg ‘De Naald’ onder Apeldoorners, heeft 108 jaar lang het huwelijk van Wilhelmina met Hendrik staan te herdenken, en heeft vanaf vandaag een nieuwe taak: het herdenken van de man die er met een zwarte auto tegenaan reed en een aantal onschuldige toeschouwers meenam in de dood.

Ja, ook de dader, Karst Tates, is dood, maar dat zal ik vanavond pas horen. Ik ga nog steeds op pad zonder mogelijkheid om onderweg te Internetten. Ouderwets, maar ik denk dat ik dat ook maar blijf doen; een hele dag bevrijd van nieuws over dingen waar je toch niets aan kunt doen.

Een serieuze aanslag tegen Oranje was het niet. Wat had die man met zijn autootje kunnen aanrichten tegen die grote, tot cabriolet omgebouwde streekbus? Zo’n ding geeft toch weinig mee. Anders was het natuurlijk geweest als hij zijn auto vol explosieven had gestopt, of een handlanger naast zich had gehad, die uit het raampje met een machinegeweer die bus onder vuur had genomen. Dan was het koninklijk huis sterk uitgedund, en dat onder het wakend of slapend oog van 700 beveiligingsmensen. En wel door toedoen van een ex-beveiligingsman; ‘Wie bewaakt de bewakers’, lijkt de moraal te zijn van dit verhaal.

Ik kom vandaag twee keer langs Apeldoorn, maar zal de verleiding weerstaan, er ramptoerist te gaan spelen. Het zal wel druk zijn, bij die zuil.

Het nieuws sudderde gisteren langzaam door. Ik was in het begin van de middag op weg naar Den Haag, om iemand op te zoeken. De straten, de stations en de treinen waren nog vol (brood)dronken en lawaaierige feestvierders, in uitbundig oranje. ‘Mensen, ga toch naar huis’, had ik ze wel willen toeroepen, ‘het feest is voorbij’. Bij Holland Spoor stond een HTM-functionaris met een speciale, lange stok de vlaggetjes van de trams te verwijderen. Ik geef niets om ‘Het vertoon van de kroon, de franje van Oranje’, maar dit is wel het definitieve eind van een tijdperk, hoe oubollig die vieringen van koninginnedag ook waren, en hoe weinig ik ze ook zal missen.

De IC naar Amersfoort blijkt een nieuwe NS-functionaris aan boord te hebben: de schoonmaker (afgekeken van Connexxion, met die werkster aan boord van de Protos?) Fanatiek, gewapend met een fles Jif, boent hij de glazen tussenschotten in de coupé’s. Vaste baan of een taakstraf? Ex-bankdirecteur?

 

 

Alles is op tijd, vandaag; in Amersfoort haal ik gemakkelijk de IC naar Berlijn. Nog dezelfde trein als in 2001, met opstelling van de banken in gezellige zitjes. Een heuse bistro rijdt mee, al is die geïncorporeerd in de eerste klas, en mag het plebs misschien niet gaan zitten in de luxe zetels aan de knusse tafeltjes. Maar je kunt er altijd iets kopen en meenemen naar je eigen plek. Het is een druk heen- en weergeloop in de trein. Daarnaast komt er ook nog een vriendelijke dame langs met koffie. Dat mis je soms toch wel in de gewone, binnenlandse IC’s.

De toiletten in de trein hebben een 220 Volt-aansluiting om je te scheren; tijdens de 6:45 uur die de hele rit van ruim 600 kilometer duurt, wil er toch wel een baardschaduw ontstaan. Ook is er een commodeplank om baby’s te verschonen. Dit is nou eens echt een tréin!

 

 

Over de grens wordt het Nederlandse platteland nog een paar kilometer voortgezet. Maar Bad Bentheim ligt 50 meter boven het zeeniveau op een steile heuvel. Dat wil niet zeggen dat je je als Nederlander erg ontheemd hoeft te voelen in dit stadje. Het is zo’n beetje half ‘van ons’. In de tijd dat staatsgrenzen nog niet zo erg scherp getrokken werden, werd het min of meer tot De Nederlanden gerekend. De bisschop van Utrecht heeft hier nog in de melk gebrokt, en zelfs de graven van Holland hebben dat nog een poosje gedaan, in lang vervlogen tijden.

Tegenwoordig woont er een groot contingent Nederlandse expats. In het dorp Gildehaus, aan de grens, vormen uitgeweken Tukkers zelfs een stevige meerderheid; deze vaderlanders verkeren in vrijwillige ballingschap, voor een lagere huizenprijs. In de omgeving van Leer, waar we twee jaar geleden waren, zijn ze bijna helemaal gratis; een huis kost ongeveer evenveel als een hondenhok in Nederland. Maar wie zou er in vredesnaam in of bij Leer willen wonen?

In Bad Bentheim staan de IC’s een klein kwartiertje stil. Hier is de loc- en personeelswissel. Gele NS-loc eraf en weggerangeerd; rode DB-loc ervoor. Even de stekker erin, en deze trein kan door naar Berlijn, waar hij over precies 4 uur aankomt. Een dagtochtje is haalbaar, als je in Bad Bentheim woont. De loc en het personeel blijven een ruim uur over in dit plaatsje. Daarna voltrekt alles zich in de omgekeerde volgorde.

Zij die verder mogen, stappen weer in, maar ik verlaat het station – maar niet voor de trein van de WestfalenBahn gefotografeerd te hebben, die hiervandaan elk uur naar Bielefeld vertrekt.

 

 

 

Pijlen wijzen de weg naar het slot. Maar dat is beslist overbodig; je ziet het niet over het hoofd. Het ligt op een kunstmatige heuvel die nog eens 40 meter uittorent boven de natuurlijke.

In de gigantische slottuin is een vaag riddergebeuren aan de gang. De hoofdrolspelers houden qua kledij het midden tussen kruisvaarders en indianen. Je kunt er met pijlen op afbeeldingen van wolven schieten en met tomahawks op vijanden gooien. Om deze ongein staat een omheining; er dient een tientje voor neergeteld te worden. Vanmiddag is hier een riddertoernooi, een steekspel, naar ik hoop met minder doden dan die in de Middeleeuwen. De ridders zullen elkaar met de lans uit het zadel proberen te stoten.

Het is vandaag een feestdag in Duitsland, die van de arbeid; dan heeft iedereen vrij om zich in rellen en straatschenderijen te kunnen storten. Nederland viert lang weekend. Er heerst een gezellige drukte in en om het slot.

Een ongewassen, bebaarde, in leer gehulde man spreekt me aan, of ik misschien een camping weet. Ik wijs hem op tentdaken in de verte. Ja, dat ziet hij ook wel (zegt hij driftig, en nog in het Duits ook), maar hij zoekt de Behörden, de mensen die erover gaan. Hij moet toch een plekje bespreken? Ik zeg dat ik het niet weet; dat ik niet bekend ben in Bad Bentheim. Met afgebeten passen loopt hij verder, aan vertwijfeling ten prooi, stijf van de vakantiestress.

 

 

De burcht en de kerken zijn opgetrokken uit het bekende Bentheimer zandsteen. Het wordt hier in de buurt gedolven in een groeve, door het stoere slag mannen waarvan er een in een standbeeld vereeuwigd is; niet in zandsteen maar in brons, wonderlijk genoeg. Monumenten bij de vleet, hier; natuurlijk een voor elke oorlog die Duitsland verloren heeft: de wanstaltige leeuw (wél in zandsteen), de onvermijdelijke adelaar. En ook de synagoge, verwoest tijdens de Kristallnacht van 1938, kreeg een gedenksteen.

Ik ga nu maar eens kijken in de burcht. Die is zo oud, dan niemand precies weet hoe oud. Hij schijnt zo ongeveer zijn 1000-jarig bestaan tegemoet te gaan. Behalve indrukwekkende defensiewerken heeft hij een kerk, een woning als een paleis, een grote paardenstal en uitgebreide kerkers en martelkelders. Voor 3,50 mag je overal op en in. De uitleg is tweetalig, al is het Nederlands even kreupel als het Duits dat van mijn lippen pleegt te rollen. Zo staat op de website van de burcht vermeld dat je hier kunt ‘huiliken’. Een huwelijk afsluiten, bedoelen ze. Nou ja, hoe vaak komt daar niet huilen van?

 

 

 

De transen zijn smal, hoog en lopen licht hellend af naar een gammel hekje. Je kunt in een diepe waterput kijken en een smalle houten trap beklimmen naar nog strategischer posities. Ik vraag me ineens af – ik weet niet waarom – of die grote toren van Emmeloord inmiddels al weer open is, na zijn renovatie.

Koene ridders hadden vast geen hoogtevrees. Het uitzicht op het park vergoedt veel. Dit is minder oud dan het lijkt; het werd voltooid in 1974. Ik gooi een euro in een kijker, om niet te zeggen: een telescoop, om het allemaal nog beter te zien. Een beste kijker: je ziet alles zo scherp alsof je er bovenop stond. Ik zie nu de mensen in het park wandelen, ik zie de kruisridders doelloos heen en weer drentelen op het toernooiveld, net als daarnet, toen ik in het park liep en bij het toernooiveld. Een prima kijker, maar voegt hij nou zoveel toe aan mijn beeld van Bad Bentheim?

Nu richt ik hem op een flatje in de buurt van het station. Op een balkon staat een vrouw van circa 35 jaar, die een oranje T-shirt draagt en een aanleg tot corpulentie bezit, zoals velen in dit land. Zij kijkt in mijn richting, maar ziet me niet. Ik zwaai, maar zij zwaait niet terug. Ze heeft niet in de gaten dat ze zich binnen de actieradius van mijn kijker bevindt. Zij is een halve kilometer weg; te ver voor het blote oog.

Ik moet denken aan een thriller die ik een keer op tv zag. Die speelde in New York. De mensen daar doen hun gordijnen nooit dicht, omdat er in die wolkenkrabbers toch niemand naar binnen kan kijken. Een vrouw bespioneert avond aan avond vanuit haar flatje haar stadsgenoten met een telescoop. Maar dan ineens, op een kwade avond, oh schrik (aanzwellende enge muziek, haren die recht overeind gaan staan): zij ziet een man die met net zo’n telescoop naar háár kijkt!


Mijn euro is op; het beeld slaat zwart. Ik ga de stijlkamers in het paleis bekijken. De zuster van onze koningin Emma heeft er nog gewoond; die was getrouwd, om niet te zeggen: gehuilikt, met de vorst van Bentheim.

Ook de gevangenis en de folterkelders zijn de afdaling waard. Hier is het laboratorium van een alchemist nagebouwd. Daar heb ik ook nog een stukje over geschreven, laatst, over alchemisten. Ongelooflijk, waarover ik allemaal geschreven heb. Jullie komen misschien alleen voor De digitale reiziger, maar dan mis je de helft van het moois.

Alchemisten zochten naar de steen der wijzen, dachten goud te kunnen maken uit lood, en de mensheid te kunnen dienen met een panacee, een geneesmiddel tegen alle kwalen. En anders wel met een elixer dat de eeuwige jeugd schonk. Constantijn Huygens maakte ze belachelijk, maar ik zelf word altijd een beetje treurig van de alchemie. Een stuk of honderd generaties zogenaamde geleerden die gedurende millennia gedoold hebben, bezig met een raar mengelmoesje van geloof, bijgeloof, pseudo-wetenschap en volksverlakkerij (net als moderne psychologen en –iaters: gouddelvers van maakbaar geluk). Toen nog een stel 18 e-eeuwers die het wetenschappelijker aanpakten, maar het ook niet snapten. En pas ver in de 19 e eeuw dacht iemand het periodiek systeem der elementen uit, en toen begrepen ze eindelijk pas een beetje, hoe het in elkaar zat.

Natuurlijk: zonder die oude alchemisten was er geen moderne chemie geweest, en geen farmacie. Maar dat hebben ze nooit geweten, en ze stierven allemaal zonder goud gezien te hebben in hun retorten, zonder steen der wijzen, zonder panacee en zonder elixer. Maar ook wij sterven in de zekerheid dat ze het in 2409 allemaal hopeloos primitief zullen vinden wat wij doen en denken.

Ik wil Duitsland niet verlaten zonder Apfelstrudel gegeten te hebben. Maar het terras van het café bij de burcht zit overvol, en dat geldt ook voor andere etablissementen in het stadje. Dat trek ik niet: luchtige conversatie in het Duits, met onbekenden aan mijn tafeltje. Ik zie er maar van af, en spreek de mondvoorraad aan uit mijn tas. Een bord bij een restaurant vraagt me, of ik al zwijn gehad heb, vandaag, alsof ik Obelix was. Zwijn is natuurlijk ook: geluk.

Schwein; de Schweinengrippe, dat hebben we ook nog, al is het even verdrongen door ‘Apeldoorn’. Het lijkt wel mee te vallen. Het wordt geen pandemie, al is er geen panacee tegen bestand. Maar het was vorige week, tot het drama van koninginnedag eigenlijk, wel een pandemonium in de media. Elke griepdeskundige is nu wel vier keer voor de televisie geweest. Er is meer kranteninkt besteed aan die varkensgriep dan in 1918 aan de Spaanse Griep, die 20 miljoen mensen ten grave sleepte. Soms lijkt het alsof rampen vooral in de media plaatsgrijpen, en niet in de werkelijkheid.

Mijn 3,5 uur in Bad Bentheim lopen ten einde. Je kunt er hier ook 5,5 uur doorbrengen, als je ook het Bentheimer Zandsteenmuseum bezoekt, of 7,5 uur, als je je ook nog laat uitkleden in het Casino. Of maanden en maanden, als je datzelfde doet in die heilzame zwavelbaden, die mij een beetje alchemistrerig voorkomen. Is dat nou echt wel bewezen dat dat beter helpt dan een paracetamolletje; zijn daar wel voldoende proefschriften over geschreven?

In het park is het toernooi nu begonnen. Een microfoonstem stelt de deelnemers voor. Van de volgepakte tribune klinkt gejuich. Er staat een ambulance gereed; vermoedelijk geen overdreven voorzorgsmaatregel. Er rijdt ook een jonkvrouwe tussen, die een lans bij zich heeft en zich zonder mankeren gaat mengen in de strijd. Het mag van mij, hoor, maar het lijkt me historisch niet helemaal verantwoord, evenmin als de begeleidende muziek, synth-pop à la Kraftwerk.

Een ‘joeste’, heette dat, zo’n steekpartij met lansen, in de tijd toen ridders nog ridders waren en romans nog ridderromans. Volgens mij heet het nog steeds zo; waarom nog een nieuwe naam verzinnen voor dingen die toch niet meer gedaan worden, behalve in de vorm van halfzachte folklore?

Ik zie en hoor het door de spijlen van dat hek. Nu kan ik die trein laten gaan, een tientje ertegenaan gooien, een plekje zoeken op de tribune en de rest van de middag naar dat joesteren gaan kijken. Maar iets zegt me dat ik daar meer spijt van zal krijgen dan die trein nemen en het missen. Ik loop dus verder naar het station; einde van deel 1.

Frans Mensonides
17 mei 2009
Er geweest: 1 mei 2009

LEES VERDER IN DEEL 2 >>>>

 

© Frans Mensonides, Leiden, 2009.


 

<< naar thuispagina Frans Mensonides